IE-rechten zijn altijd bij LinXis gebleven, geen mede-rechthebbende (oud)managere

02-06-2026 Print this page
IEPT20260422, Rb Den Haag, LinXis

LinXis is een biotechnologiebedrijf dat samen met universiteiten geneesmiddelen ontwikkelt voor de behandeling van onder meer fibrose en kanker. Het bedrijf werkt met conjugaten waarbij een geneesmiddel wordt gekoppeld aan een eiwit dat gericht naar ziektecellen zoekt, zodat hogere en veiligere doseringen mogelijk zijn. In de IE-overdrachtsclausule van eerdere overeenkomsten is bepaald dat IE-rechten bij LinXis liggen, maar in latere overeenkomsten is deze clausule niet herhaald. [partij 1] stelde dat dit bewust was, vanwege een flexibel beloningspakket en ruimte voor eigen activiteiten, en claimde mede-rechthebbendheid op octrooien. LinXis stelde dat alle IE bij haar moest blijven en dat het weglaten een vergissing was. De rechtbank volgt LinXis en oordeelt dat de octrooien volledig aan LinXis toekomen. Hoewel [partij 1] als uitvinder werd vermeld en betrokken bleef bij het IE-beheer, mag hij na beëindiging van zijn managementfunctie geen acties ondernemen die de geldigheid van de octrooien ondermijnen. Daarnaast moet LinXis nog €180.000 aan nabetaling van managementvergoeding voldoen.

 

OVEREENKOMST


LinXis is een biotechnologiebedrijf dat samen met twee Nederlandse universiteiten richt op de ontwikkeling van producten die het mogelijk maken om patiënten met een levensbedreigende ziekte beter en veiliger te behandelen. Zij produceert conjugaten, samengestelde geneesmiddelen voor de behandeling van fibrose en kanker. Hierbij wordt een geneesmiddel aan gekoppeld aan een eiwit dat als doelzoeker dient; hiermee kunnen geneesmiddelen veiliger in hoge dosis worden toegediend.


In de IE-overdrachtsclausule staat dat de opdrachtnemer tevens een vergoeding voor het gemis aan octrooi omvat. Tegenover LinXis stelt opdrachtnemer dat hij rechthebbende is op drie octrooien.

 

LinXis vordert verklaring van recht dat partij 1 geen uitvinder is, geen aanspraken toekomt en medewerking zal verlenen om zijn naam te verwijderen van de uitvinderslijst. Partij 1 in reconventie vordert het omgekeerde.

 

[partij 1] heeft niet weersproken dat de IE-overdrachtsclausule (in 2015-Overeenkomst) gebruikelijk is in managementovereenkomsten en voor een bedrijf als LinXis ook cruciaal, omdat de waarde van het bedrijf in zeer grote mate wordt bepaald door de gegenereerde IE rechten. Niet in geschil is dat [partij 1] als octrooiadviseur bekend was met dit belang van LinXis en ook tot taak had om de Octrooien te beheren. In de 2017-Overeenkomst en de 2019-Overeenkomst geen IE-overdrachtsclausule meer opgenomen.


Gegeven het essentiële belang van LinXis op het behoud van haar IE-portefeuille, is ook niet aannemelijk dat partijen hebben beoogd dat LinXis haar IE-rechten zou delen met [partij 1] .

 

[partij 1] stelde dat geen IE-overdrachtsclausule was opgenomen omdat partijen, gezien de lage vergoeding, kozen voor een flexibel beloningspakket met mogelijk later te regelen compensatie voor uitvindersrechten. Ook wilde [partij 1] ruimte houden voor andere ondernemingen. LinXis betwistte dit en stelde dat IE-rechten altijd bij LinXis moesten blijven en dat het ontbreken van de clausule een vergissing was. De rechtbank volgde LinXis: [partij 1] had onvoldoende onderbouwd dat mede-rechthebbendheid was afgesproken en de octrooien blijven volledig bij LinXis.


LinXis heeft altijd ingestemd met de vermelding van [partij 1] als uitvinder van de octrooien en achtte dit ook, naar eigen zeggen, om commerciële redenen wenselijk.


Tot 2020 behoorde [partij 1] tot het management van LinXis en was (mede)verantwoordelijk voor het managen van de IE-portefeuille van LinXis. Dat de managementovereenkomst is geëindigd, brengt met zich mee dat er postcontractuele verplichtingen zijn. In strijd daarmee handelt [partij 1] door third party observations in te dienen met als doel de geldigheid van de octrooien van LinXis in twijfel te trekken. Het enkele gegeven dat naar oordeel van de rechtbank [partij 1] geen aanspraak heeft op de octrooien, is niet voldoende om te rechtvaardigen dat het [partij 1] moet worden verboden om te zeggen dat hij van mening is dat hij die aanspraak wel heeft.

 

Gedaagde heeft nog wel recht op nabetaling van een managementvergoeding. Omdat de 2019-Overeenkomst één jaar duurde, en de rechtbank Amsterdam heeft geoordeeld dat een opzegtermijn van zes maanden in acht genomen had moeten worden, is over 18 maanden nog een bedrag van €10.000 verschuldigd, dus in totaal €180.000.

 

ECLI:NL:RBDHA:2026:9754