HvJEU: Streep door anticiperende maatregelen die blijven gelden zonder (tijdig gestarte) bodemprocedure

28-04-2026 Print this page
IEPT20260423, HvJEU, M.M. Ristorazione v Villa Ramazzini

Voorlopige maatregel moet op verzoek van verweerder ophouden gevolg te hebben als eiser geen bodemprocedure instelt binnen de gestelde termijn. Artikel 9(5) Handhavingsrichtlijn ziet op alle in dat artikel bedoelde voorlopige maatregelen en sluit maatregelen die vooruitlopen op de beslissing ten principale niet uit. Deze bepaling waarborgt dat voorlopige maatregelen niet blijven voortduren zonder rechterlijke toetsing ten gronde en voorkomt dat de verweerder wordt getroffen door een mogelijk ongerechtvaardigde maatregel, hetgeen in strijd zou zijn met het evenredigheidsbeginsel zoals neergelegd in de richtlijn. 

 

Zaak C-132/25 Ristorazione v Villa Ramazzini

 

Uit MinBuza samenvatting:

Deze zaak speelt tussen Villa Ramazzini en M.M. Ristorazione en gaat om een voorlopig verbod op het gebruik van een merk „Mò Pizza, Sapori e Salute" althans "Mò". Ter discussie staat de algemene (Unierechtelijke) regel dat voorlopige maatregelen geen gevolgen meer hebben wanneer er niet tijdig een bodemprocedure wordt gestart. Het is de vraag of de Italiaanse regelgeving waarbij maatregelen met een anticiperend karakter wél hun gevolgen behouden wanneer er niet tijdig of geen bodemprocedure wordt gestart, in strijd is met de Unierechtelijke bepaling.


De Italiaanse wet heeft in artikel 132 van de Codice della Proprietà Industriale (c.p.i.) bepalingen opgenomen over voorlopige maatregelen bij inbreuk op intellectuele eigendomsrechten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen twee soorten conservatoire maatregelen:

Enerzijds "gewone" voorlopige maatregelen vallen onder EU-richtlijn 2004/48 en artikel 9, lid 5, die vereisen dat de eiser binnen een bepaalde termijn (20 werkdagen of 31 kalenderdagen) een bodemprocedure start, anders vervalt de maatregel. Anderzijds "Maatregelen met een anticiperend karakter", deze vallen volgens de Italiaanse regeling niet onder deze verplichting. In artikel 132, lid 4, c.p.i. is bepaald dat deze maatregelen blijven gelden zonder verplichte bodemprocedure, tenzij een partij daartoe vrijwillig overgaat.


De Italiaanse wetgever verdedigt deze afwijkende regeling op basis van het doel van proceseconomie, omdat geschillen op het gebied van industriële eigendom vaak al worden opgelost tijdens de voorlopige fase.


De nationale rechters (Tribunale en Corte di Appello di Roma) menen dat deze anticiperende maatregelen niet onder de definitie van “voorlopige maatregelen” in de zin van de richtlijn en de TRIPs-overeenkomst vallen, omdat ze niet louter gericht zijn op het behoud van de feitelijke situatie, maar soms een definitieve oplossing bieden.

 

Gestelde vraag:

Moet artikel 9, lid 5, van richtlijn [2004/48] aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan artikel 132, lid 4, [CPI], op grond waarvan de regel van artikel 132, lid 3, [CPI] dat een voorlopige maatregel ophoudt gevolg te hebben wanneer de bodemprocedure niet binnen een dwingende termijn is ingeleid, niet van toepassing is op spoedmaatregelen die krachtens artikel 700 [CPC] zijn genomen en op andere [voorlopige] maatregelen die vooruitlopen op de gevolgen van de beslissing ten principale, ook al kan in dergelijke gevallen elk van de partijen die bodemprocedure inleiden?

 

Antwoord HvJEU:

Artikel 9, lid 5, [Handhavingsrichtlijn] moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de toepassing van een nationale bepaling op grond waarvan bepaalde voorlopige maatregelen, zoals voorlopige maatregelen die vooruitlopen op de gevolgen van een beslissing ten principale, kunnen worden gehandhaafd, terwijl de eiser niet binnen de in artikel 9, lid 5, gestelde termijn een procedure heeft ingesteld die tot een dergelijke beslissing leidt en de verweerder verzoekt dat die voorlopige maatregelen worden herroepen of anderszins ophouden gevolg te hebben.

 


IEPT20260423, HvJEU, Ristorazione v Ramazzini
ECLI:EU:C:2026:340