OBELIX' waren en diensten komen niet overeen met aangevallen merk

27-05-2026 Print this page
IEPT20260613, Gerecht EU, Les Éditions Albert René vs Works 11

In zaak T-24/25 bevestigt het Gerecht van de EU de beslissing van het EUIPO om een vordering tot nietigverklaring af te wijzen wegens gebrek aan verwarringsgevaar tussen de betrokken merken. De houder van het oudere merk “OBELIX” slaagde er niet in aan te tonen dat de betrokken waren en diensten voldoende overeenstemmen met die van het aangevallen merk. Het Gerecht volgt de Kamer van Beroep in haar oordeel dat de relevante producten en diensten ongelijksoortig zijn en dat ook onvoldoende bewijs van reputatie en verband tussen de merken is geleverd.

 

 

Feiten en procesverloop
De procedure in zaak T-24/25 betreft geen nietigheidsprocedure over een schoenmodel, maar een merkenrechtelijk geschil over een Uniemerk. De houder van het oudere Uniewoordmerk “OBELIX” had bij het EUIPO een verzoek tot nietigverklaring ingediend tegen een later merk. Het oudere merk was geregistreerd voor onder meer kleding, schoeisel, spellen en entertainmentdiensten in de klassen 25, 28 en 41. De vordering was gebaseerd op artikel 60 lid 1 onder a UMVo, gelezen in samenhang met artikel 8 lid 1 onder b en artikel 8 lid 5 UMVo.

 

Beslissing van het EUIPO
De nietigheidsafdeling wees het verzoek af omdat onvoldoende bewijs was geleverd van normaal gebruik van het oudere merk voor de ingeroepen waren en diensten. In beroep oordeelde de Kamer van Beroep dat zelfs indien van normaal gebruik zou worden uitgegaan, geen sprake was van verwarringsgevaar. Volgens de Kamer waren de betrokken waren en diensten onvoldoende soortgelijk. Daarnaast kon uit het overgelegde bewijs geen definitieve conclusie worden getrokken over de gestelde reputatie van het oudere merk. Ook ontbrak een voldoende verband tussen de tekens.

 

Beoordeling door het Gerecht
Het Gerecht bevestigt de benadering van de Kamer van Beroep. Het benadrukt dat voor toepassing van artikel 8 lid 1 onder b UMVo een globale beoordeling vereist is, waarbij onder meer de overeenstemming tussen de merken en de soortgelijkheid van de betrokken waren en diensten centraal staan. Zelfs wanneer wordt aangenomen dat het oudere merk geldig is gebruikt, kan geen verwarringsgevaar bestaan indien de waren en diensten wezenlijk verschillen.

 

Ten aanzien van artikel 8 lid 5 UMVo oordeelt het Gerecht dat onvoldoende bewijs was geleverd om de reputatie van het oudere merk overtuigend vast te stellen. Bovendien was niet aangetoond dat het relevante publiek een verband zou leggen tussen de betrokken tekens. Zelfs aangenomen dat de stripboeken van ‘Astérix & Obélix’ bekend zijn, betekent nog niet dat ‘Obelix’ een aparte reputatie had als merk. Daardoor waren de voorwaarden voor bescherming van een bekend merk niet vervuld.

 

ECLI:EU:T:2026:343