HvJ EU: Dienstaanbieders in andere lidstaten kunnen tot leeftijdsverificatie voor pornowebsites worden verplicht en verbod op rijhulpsysteem met doorgifte verkeerscontroles
25-06-2026 Print this page
Indien aan alle voorwaarden is voldaan, kan een lidstaat aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij die in andere lidstaten zijn gevestigd, verplichten een systeem voor leeftijdsverificatie in te voeren om te voorkomen dat minderjarigen toegang krijgen tot hun pornografische websites, of dergelijke aanbieders verbieden om in het kader van rijhulpsystemen met geolocalisatie informatie over bepaalde verkeerscontroles door te geven.
Uit MinBuza samenvatting (WebGroup NKL)
Op 30 juli 2020 is er in Frankrijk een wet ingegaan ter bestrijding van de toenemende blootstelling van minderjarigen aan pornografisch materiaal en de schadelijke gevolgen hiervan. De wet beoogt de doeltreffendheid te begroten van het wetboek van strafrecht. Waar het in deze zaak voornamelijk om gaat, is dat er in de nationale wet de mogelijkheid wordt gegeven om de aanbieder van een online communicatiedienst een aanmaning te sturen, wanneer het minderjarigen toestaat om toegang te krijgen tot pornografisch materiaal. Na de aanmaning kunnen de aanbieders gelast worden een einde te maken aan de toegang tot de dienst. Verzoekende partijen ‘WebGroup Czech Republic’ en ‘NKL Associates’ komen in rechte op tegen het besluit.
Verzoekende partij is ‘Coyote System’ en vordert de nietigverklaring van een nationaal genomen besluit dat is genomen ter uitvoering van de wegenverkeerswet. Het besluit betreft een regeling op grond waarvan aanbieders van een op geolokalisatie gebaseerde elektronische navigatiesysteem kunnen worden verboden om door gebruikers van die dienst meegedeelde informatie met betrekking tot bepaalde verkeerscontroles door te geven aan andere gebruikers (‘doorgifte’). Er staan sancties op de niet-naleving van deze verplichtingen. Cayote System stelt dat het besluit in strijd is met de doelstellingen van richtlijn 2000/31.
Gestelde vragen in WebGroup NKL
a)Vallen strafrechtelijke bepalingen, met name algemene en abstracte bepalingen die bepaalde gedragingen aanmerken als een strafbaar feit dat kan worden vervolgd, binnen het door richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 „gecoördineerde gebied” wanneer zij van toepassing kunnen zijn op zowel het gedrag van een verlener van diensten van de informatiemaatschappij als dat van elke andere natuurlijke of rechtspersoon, of moet worden aangenomen, aangezien de richtlijn enkel tot doel heeft bepaalde juridische aspecten van die diensten te harmoniseren en niet het strafrecht als zodanig en aangezien zij alleen vereisten bevat met betrekking tot diensten, dat dergelijke strafbepalingen niet kunnen worden beschouwd als vereisten die van toepassing zijn op de toegang tot en het uitvoeren van de activiteit van diensten van de informatiemaatschappij en die binnen het door die richtlijn „gecoördineerde gebied” vallen? Vallen in het bijzonder strafbepalingen die bedoeld zijn om minderjarigen te beschermen, binnen de reikwijdte van dit „gecoördineerde gebied”?
b) Moet het feit dat aanbieders van onlinecommunicatiediensten verplicht zijn om voorzieningen te treffen om te verhinderen dat minderjarigen toegang kunnen krijgen tot het pornografische materiaal dat zij aanbieden, worden geacht te vallen binnen het „gecoördineerde gebied” in de zin van richtlijn 2000/31/EG, die alleen bepaalde juridische aspecten van de betrokken diensten harmoniseert, terwijl deze verplichting weliswaar betrekking heeft op het uitvoeren van de activiteit van een dienst van de informatiemaatschappij omdat het hierbij om het gedrag van de dienstverlener, de kwaliteit of de inhoud van de dienst gaat, maar geen betrekking heeft op de vestiging van de dienstverleners, noch op de commerciële communicatie, noch op langs elektronische weg gesloten contracten, noch op de aansprakelijkheid van tussenpersonen, noch op gedragscodes, noch op de buitengerechtelijke geschillenregeling, noch op rechtsgedingen en evenmin op de samenwerking tussen lidstaten, en dus geen enkele van de onderwerpen betreft die door de harmonisatiebepalingen van hoofdstuk II worden geregeld?
c) In geval van een bevestigend antwoord op de voorgaande vragen, hoe verhouden de vereisten van richtlijn 2000/31/EG zich dan tot die welke voortvloeien uit de bescherming van de grondrechten in de Europese Unie en met name de bescherming van de menselijke waardigheid en van het belang van het kind zoals gewaarborgd door de artikelen 1 en 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, wanneer de enkele vaststelling van individuele maatregelen met betrekking tot een bepaalde dienst een doeltreffende bescherming van die rechten niet lijkt te waarborgen? Bestaat er een algemeen beginsel van het recht van de Europese Unie dat de lidstaten toestaat om, met name in urgente gevallen, de maatregelen te nemen – ook als die algemeen en abstract zijn ten aanzien van een categorie dienstverleners – die nodig zijn om minderjarigen te beschermen tegen inbreuken op hun waardigheid en hun integriteit, door zo nodig jegens de onder richtlijn 2000/31/EG vallende dienstverleners af te wijken van het in die richtlijn neergelegde beginsel dat zij aan de regulering door hun land van herkomst onderworpen zijn?
Gestelde vragen in C-190/24 Coyote:
a) Moet het aan aanbieders van een op geolokalisatie gebaseerde elektronische rijassistentie- of navigatiedienst opgelegde verbod om via die dienst berichten of aanwijzingen van gebruikers door te geven waardoor andere gebruikers zich aan bepaalde verkeerscontroles kunnen onttrekken, worden geacht te vallen onder het „gecoördineerde gebied” als bedoeld in richtlijn 2000/31/EG, terwijl dat verbod weliswaar geldt voor de uitoefening van een activiteit van een dienst van de informatiemaatschappij in die zin dat het betrekking heeft op het gedrag van de dienstverlener en de kwaliteit en inhoud van de dienst, maar niet voor de vestiging van de dienstverleners, de commerciële communicatie, langs elektronische weg gesloten contracten, de aansprakelijkheid van tussenpersonen, gedragscodes, de buitengerechtelijke geschillenregeling, rechtsgedingen en de samenwerking tussen lidstaten en zodoende geen van de onderwerpen betreft die worden geregeld door de harmonisatiebepalingen van hoofdstuk II van die richtlijn?
b) Valt een verbod op doorgifte dat met name tot doel heeft te voorkomen dat personen die worden gezocht wegens misdrijven of overtredingen of die een bedreiging vormen voor de openbare orde of veiligheid zich kunnen onttrekken aan verkeerscontroles, binnen de draagwijdte van de voor het uitoefenen van een activiteit van een dienst van de informatiemaatschappij geldende vereisten die een lidstaat niet kan opleggen aan dienstverleners uit een andere lidstaat, terwijl in overweging 26 van de richtlijn te lezen staat dat deze de lidstaten niet de mogelijkheid ontneemt om hun nationale voorschriften op het strafrecht en de strafvervolging toe te passen om alle onderzoeks- of andere maatregelen te kunnen nemen die nodig zijn voor de opsporing en de vervolging van strafbare feiten?
c) Moet artikel 15 van richtlijn 2000/31/EG, dat met betrekking tot de daarin bedoelde diensten verbiedt om dienstverleners algemene toezichtverplichtingen op te leggen, met uitzondering van toezichtverplichtingen in speciale gevallen, aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan de toepassing van een regeling die louter bepaalt dat aanbieders van een op geolokalisatie gebaseerde elektronische rijassistentie- of navigatiedienst kunnen worden verplicht om bepaalde soorten berichten of aanwijzingen in precieze gevallen niet via die dienst door te geven, zonder dat de aanbieder daartoe kennis hoeft te nemen van de inhoud daarvan?
Antwoord HvJEU:
1. Article 2(h) and Article 3 of Directive 2000/31/EC of the European Parliament and of the Council of 8 June 2000 on certain legal aspects of information society services, in particular electronic commerce, in the Internal Market (‘Directive on electronic commerce’), must be interpreted as meaning that:
– the coordinated field, referred to in the first of those provisions, is not limited to the requirements and matters governed by the harmonising provisions of Chapters II and III of that directive and may cover both criminal legislation that is general and abstract as well as legislation pursuing objectives of public policy, security and safety, provided that that legislation lays down requirements, relating to the taking up or pursuit of the activity of information society services, which are not excluded from the coordinated field under Article 2(h)(ii), and that it relates to areas which are not excluded from the scope of that directive by virtue of Article 1(5) thereof or the mechanism referred to in Article 3(1) and (2) of that directive, by virtue of paragraph 3 thereof;
– they preclude a Member State from applying a general and abstract obligation under criminal law, intended to prevent access by minors to pornographic content, to information society service providers established in other Member States;
– they do not preclude, subject to compliance with the conditions laid down in Article 3(4) of Directive 2000/31, read in the light of Articles 1 and 24 of the Charter of Fundamental Rights of the European Union, and without prejudice to the application of Article 3(5) of that directive, a Member State from making provision for the adoption of measures requiring providers of a given service, established in other Member States, to establish a system for verifying the age of users of pornographic sites, where those providers have not taken the appropriate measures referred to in Article 28b of Directive 2010/13/EU of the European Parliament and of the Council of 10 March 2010 on the coordination of certain provisions laid down by law, regulation or administrative action in Member States concerning the provision of audiovisual media services (Audiovisual Media Services Directive);
– they do not preclude a Member State, subject to compliance with the conditions laid down in Article 3(4) of Directive 2000/31 and without prejudice to the application of Article 3(5) of that directive, from making provision for the adoption of measures prohibiting providers of a given service, established in other Member States, from rebroadcasting information relating to certain roadside inspections on grounds of public policy, security or safety.
2. Article 14(1) and Article 15(1) of Directive 2000/31 must be interpreted as meaning that:
– where, by means of an algorithm, the operator of an information society service consisting, inter alia, in the storage of information provided by a recipient of the service determines, in its own interest or that of its service, under what conditions, how and in which order of priority that information is or is not broadcast as part of that service, it exercises control over that information, with the result that it cannot be classified as a provider of an ‘information society service … that consists of the storage of information provided by a recipient of the service’, within the meaning of Article 14(1), and that Article 15(1) therefore does not apply to it;
– they do not preclude a Member State from prohibiting, on grounds of public policy, security or safety, the operators of an electronic service which may be classified as an ‘information society service … that consists of the storage of information provided by a recipient of the service’, within the meaning of Article 14(1), from rebroadcasting information relating to certain roadside checks.
IEPT-versie volgt later
ECLI:EU:C:2026:492, gevoegde zaken: C-188/24 en C-190/24
Uit het nieuwsbericht: In deze zaak heeft het Hof onderzocht of een lidstaat beperkingen mag opleggen aan digitale diensten die vanuit een andere lidstaat worden verricht, en onder welke voorwaarden de aanbieders van deze diensten aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de informatie die zij opslaan en verspreiden.
Bepaalde digitale diensten worden door de Franse wetgeving beperkt om de openbare orde en veiligheid te beschermen. Volgens deze wetgeving is het met name:
* vereist dat aanbieders van pornografische websites systemen voor leeftijdscontrole instellen om kinderen te beschermen
* verboden om bepaalde verkeerscontroles te melden, waardoor rijhulpsystemen worden beperkt
WebGroup Czech Republic en NKL Associates, die pornografische websites aanbieden, en Coyote System, een aanbieder van rijhulpsystemen, zijn tegen deze maatregelen opgekomen. Zij stellen dat deze wetgeving in strijd is met het „land-van-oorsprong”-beginsel dat is neergelegd in de richtlijn inzake elektronische handel. Volgens deze richtlijn worden diensten die binnen het „gecoördineerde gebied” vallen beheerst door het recht van de lidstaat waar de aanbieder is gevestigd. De Franse Conseil d’État (hoogste bestuursrechter) heeft deze kwestie voorgelegd aan het Hof.
[uit het Perscommuniqué]
Het Hof stelt vast dat de toepassing door Frankrijk van de betwiste maatregelen op dienstverleners die in andere lidstaten zijn gevestigd, een beperking vormt op het vrij verrichten van de betrokken diensten. De richtlijn staat echter onder bepaalde voorwaarden toe dat de lidstaten dergelijke maatregelen ook richten tot dienstverleners die niet op hun grondgebied zijn gevestigd. In casu streven de betrokken maatregelen doelstellingen na die door de richtlijn worden erkend, zoals de openbare orde, waar de bescherming van minderjarigen onder valt, en de openbare veiligheid, waar het verbod op de verspreiding van informatie over bepaalde verkeerscontroles bij aansluit. Bovendien blijken zij evenredig te zijn aan die doelstellingen. Verder lijken zij gericht te zijn op specifieke diensten van de informatiemaatschappij die daadwerkelijk afbreuk doen aan die doelstellingen, en vorm te krijgen in individuele aanmanings- of verbodsbesluiten die op basis van de nationale wetgeving worden vastgesteld. Voordat dergelijke maatregelen worden genomen moet evenwel, behalve in spoedeisende gevallen, de lidstaat van vestiging van de betrokken dienstverlener worden verzocht zelf passende maatregelen te nemen en moeten de voorgenomen maatregelen aan de Europese Commissie en die lidstaat worden meegedeeld.
Indien aan al deze voorwaarden is voldaan, kan een lidstaat aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij die in andere lidstaten zijn gevestigd, verplichten een systeem voor leeftijdsverificatie in te voeren om te voorkomen dat minderjarigen toegang krijgen tot hun pornografische websites, of dergelijke aanbieders verbieden om in het kader van rijhulpsystemen met geolocalisatie informatie over bepaalde verkeerscontroles door te geven. De verwijzende rechter moet nagaan of de betwiste maatregelen aan deze voorwaarden voldoen.
In de onderstaande korte video geeft Thomas von Danwitz, vicepresident van het Hof, een toelichting op de uitspraak van het Hof in deze zaak. Er is ondertiteling beschikbaar in alle talen van de Unie. Deze kan worden geactiveerd door op het icoontje „Ondertiteling” te klikken.