Juli 2025
Print this pageIEPT20250730, Rb Den Haag, BMW
Merkinbreuk en persoonlijke aansprakelijkheid bestuurders door het aanbieden of verhandelen of daartoe in voorraad hebben, invoeren en uitvoeren van 260 BMW-voertuigen afkomstig van het uitgebrande Fremantle. Geen toestemming of rechtsverwerking BMW. Uit de door [gedaagden] c.s. overgelegde stukken blijkt dat de correspondentie tussen partijen is geëindigd zonder dat BMW op enige manier haar rechten heeft prijsgegeven. BMW heeft niet enige handeling verricht die bij [gedaagden] c.s. het gerechtvaardigde vertrouwen kon opwekken dat BMW toestemde in het in de handel brengen van de voertuigen. Geen uitputting merk- en modelrechten BMW, zodat BMW verdere verhandeling van de auto’s binnen de EER kan tegenhouden. PGM mocht de BMW-voertuigen op grond van de met BMW AG gesloten BMW Importer Agreement d.d. 16 november 2022 alleen verhandelen binnen het grondgebied van Taiwan, en niet buiten het selectieve distributienetwerk van BMW (zie r.o. 3.5). Weliswaar heeft de levering door BMW aan PGM in Duitsland plaatsgevonden, maar BMW heeft door de enkele levering niet de douanerechtelijke status van de voertuigen veranderd van T1 naar T2, en daarmee evenmin hun niet-communautaire status. Toewijzing vorderingen op grond van bestuurdersaansprakelijkheid: als bestuurders en (zeer) nauw betrokkene privé personen hadden zij de inbreuk kunnen en moeten voorkomen.
IEPT20250710, HvJEU, UPFR v DADA Music
Unierecht verplicht niet tot een forfaitaire minimumvergoeding voor fonogramproducenten. Uit artikel 8 lid 2 van de Verhuurrichtlijn 2006/115 en artikel 16 lid 2 van de Richtlijn collectief beheer 2014/26 volgt niet dat lidstaten rechthebbenden een forfaitaire minimumvergoeding moeten garanderen. Deze bepalingen beogen juist te waarborgen dat rechthebbenden een vergoeding ontvangen die verband houdt met de economische waarde van het gebruik, waarbij de begrippen „billijke vergoeding” en „passende vergoeding” uniform moeten worden uitgelegd. Lidstaten hebben een ruime beoordelingsmarge bij het vaststellen van criteria voor die vergoeding, maar moeten daarbij Unierecht en het Handvest respecteren. Nationale rechter moet billijkheid en passendheid van vergoeding toetsen. Die toets vergt dat wordt gezocht naar een passend evenwicht tussen het belang van rechthebbenden en het belang van gebruikers, dit vereist dat hij onder meer rekening houdt met: de economische waarde van het gebruik in het handelsverkeer, de aard en reikwijdte van het gebruik en de waarde van de door de collectieve beheerorganisatie verleende dienst. In een geschil tussen particulieren kan een nationale rechter een nationale wet niet op grond van een richtlijn buiten toepassing laten, tenzij het nationale recht daarin zelf voorziet. Als gevolg van het feit dat richtlijnen geen verplichtingen kunnen opleggen aan particulieren en horizontale rechtstreekse werking missen.
IEPT20250710, HVJEU, Sanchez Romero Carvajal Jabugo v Embutidos Monells
Kwade trouw sluit rechtsverwerking wegens gedogen uit. De kwade trouw van de aanvrager bij de indiening van de aanvraag tot inschrijving vormt een absolute nietigheidsgrond, waarvan de inroeping naar haar aard niet vatbaar is voor verjaring. De volgende omstandigheden kunnen aan dit oordeel niet afdoen: dat de houder van het oudere merk in een tot de houder van het jongere merk gerichte ingebrekestelling een uiterste datum voor het instellen van een vordering tot nietigverklaring heeft vermeld die samenvalt met het verstrijken van de vervaltermijn van vijf opeenvolgende jaren; en dat de houder van het oudere merk op het tijdstip van verzending van die ingebrekestelling reeds beschikte over alle noodzakelijke gegevens om aan te nemen dat het merk te kwader trouw was gedeponeerd.
IEPT20250710, HvJEU, Purefun v Doggy
De Merkenrichtlijn beoogt niet het nationale recht inzake de handelsnaam, tot welke categorie een bedrijfsnaam kan behoren, op het niveau van de Unie te harmoniseren. Bij gebreke van harmonisatie valt bescherming van de handelsnaam onder het nationale recht. De Merkenrichtlijn en het vrij verkeer van goederen verzetten zich niet tegen een nationale regeling die de houder van een bedrijfsnaam toestaat een derde te verbieden een identiek of soortgelijk teken als handelsnaam of domeinnaam te gebruiken voor waren of diensten van dezelfde of soortgelijke aard als die welke vallen onder de activiteiten waarvoor zijn bedrijfsnaam is geregistreerd, en verzetten zich er niet tegen dat het feit dat die bedrijfsnaam niet wordt gebruikt, onder bepaalde voorwaarden kan leiden tot het verval van dit uitsluitende recht en dat die houder verplicht is de aard van de onder zijn maatschappelijk doel vallende activiteiten dermate nauwkeurig te beschrijven en af te bakenen dat derden er doeltreffend over kunnen worden geïnformeerd.
IEPT20250709, BenGH, Kaamps Cheese v PLUS
Geen verwarringsgevaar tussen BOERENTROTS VAN PLUS en BOER’NTROTS: visueel overstemmen, auditief in zekere mate overeenstemmen en begripsmatig overeenstemmen, kaasproducten en vleesproducten slechts in geringe mate overeenstemmend en beide merken zeer gering onderscheidend vermogen door duidelijke betekenis.