April 2026
Print this pageIEPT20260430, HvJEU, GEMA v VHC 2 Seniorenresidenz
Geen ‘mededeling aan het publiek’ bij wederdoorgifte van omroepprogramma’s via intern kabelnetwerk van bejaardenhuis. De gelijktijdige, volledige en ongewijzigde wederdoorgifte van televisie- en radioprogramma’s via het interne kabelnetwerk van een bejaardenhuis naar de kamers van bewoners vormt geen “mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3(1) Auteursrechtrichtlijn 2001. Geen sprake van een “specifieke technische werkwijze”, omdat de exploitant enkel het via een satellietantenne ontvangen signaal intern doorgeeft via het kabelnetwerk van het bejaardenhuis. Evenmin sprake van een “nieuw publiek”, omdat de bewoners permanent in het tehuis verblijven en als bezitters van ontvangsttoestellen uitzendingen in hun privésfeer ontvangen, zodat zij behoren tot het publiek waarmee rechthebbenden reeds rekening hielden bij de oorspronkelijke uitzending. Dat het bejaardenhuis met winstoogmerk wordt geëxploiteerd, is “niet bepalend” voor de kwalificatie als “mededeling aan het publiek”. Een dergelijke uitleg voorkomt dat auteursrechthebbenden een “onverschuldigde beloning” ontvangen, terwijl zij reeds een passende vergoeding hebben ontvangen voor de oorspronkelijke uitzending.
IEPT20260423, HvJEU, Ristorazione v Ramazzini
Voorlopige maatregel moet op verzoek van verweerder ophouden gevolg te hebben als eiser geen bodemprocedure instelt binnen de gestelde termijn. Artikel 9(5) Handhavingsrichtlijn ziet op alle in dat artikel bedoelde voorlopige maatregelen en sluit maatregelen die vooruitlopen op de beslissing ten principale niet uit. Deze bepaling waarborgt dat voorlopige maatregelen niet blijven voortduren zonder rechterlijke toetsing ten gronde en voorkomt dat de verweerder wordt getroffen door een mogelijk ongerechtvaardigde maatregel, hetgeen in strijd zou zijn met het evenredigheidsbeginsel zoals neergelegd in de richtlijn.
IEPT20260416, HvJEU, SONT v HP
Offline streaming copy valt niet onder de thuiskopie-exceptie en geeft geen recht op thuiskopievergoeding. De beschikbaarstelling van een offline streaming copy door een streamingdienst op verzoek van een gebruiker vormt een beschikbaarstelling van een werk voor het publiek in de zin van artikel 3(1) Auteursrechtrichtlijn 2001. Dit kwalificeert daarmee niet als een reproductiehandeling in de zin van artikel 2 Auteursrechtrichtlijn 2001, zodat zij ook niet onder de thuiskopie-exceptie van artikel 5(2)(b) van die richtlijn kan vallen. Daarbij is beslissend dat de gebruiker pas toegang krijgt tot het werk nadat de aanbieder een kopie heeft gemaakt, zodat die kopie niet door die gebruiker wordt vervaardigd en de bron van de kopie in handen is van de aanbieder en niet van de gebruiker; En dat de rechthebbende door technische voorzieningen de controle behoudt en de toegang zo nodig kan blokkeren. Onder die omstandigheden is geen sprake van schade als gevolg van ongecontroleerd kopiëren, maar van een door de rechthebbende toegestane en gecontroleerde exploitatie, zodat geen billijke compensatie verschuldigd is en het bestaan van een licentievergoeding hieraan niet afdoet.
IEPT2026414, HvJEU, Pelham II
Pastiche-exceptie vormt geen vangnetclausule voor ieder creatief hergebruik maar vereist herkenbare artistieke of creatieve dialoog met bestaand werk dat een of meer bestaande werken oproept maar daarmee merkbare verschillen vertoont en auteursrechtelijk beschermde kenmerkende elementen gebruikt om met die werken een artistieke of creatieve dialoog aan te gaan die als zodanig herkenbaar is. Die artistieke of creatieve dialoog kan verschillende vormen aannemen, waaronder een stijlimitatie, een eerbetoon of een humoristische of kritische confrontatie. Daarbij is het mogelijk dat pastiche een uiting is van humor of spot, maar dit is niet noodzakelijk. Openlijk gebruik is vereist, zodat verborgen imitatie of plagiaat niet onder het begrip valt. Derhalve kan sampling onder de pastiche-exceptie vallen wanneer de sample wordt gebruikt voor een werk dat voldoet aan deze vereisten. Voor toepassing van de pastiche-exceptie volstaat dat de aard als pastiche objectief herkenbaar is voor een persoon die bekend is met het oorspronkelijke werk. Niet vereist dat wordt vastgesteld dat de gebruiker het voornemen had een pastiche te maken.