Hof van Justitie EU | 14 november 2019 | Spedidam v INA

Print this page

IEPT20191114, HvJEU, Spedidam v INA

Het in het Franse nationale recht opgenomen weerlegbare vermoeden van toestemming voor de vastlegging en de exploitatie van de uitvoering door de uitvoerende kunstenaar is volgens het Hof toelaatbaar en niet in strijd met het in Auteursrechtrichtlijn 2001/29 opgenomen vereiste van toestemming. Deze toestemming hoeft namelijk niet expliciet en schriftelijk te zijn, ook een impliciete toestemming volstaat, zo volgt uit het Soulier en Doke-arrest van het Hof. In onderhavige zaak was de uitvoerende kunstenaar zelf aanwezig bij de productie van een audiovisueel werk met het oog op uitzending ervan door nationale omroeporganisaties. De uitvoerende kunstenaar wordt aldus geacht op de hoogte te zijn van het voorgenomen gebruik van zijn uitvoering en hiermee kan worden geoordeeld dat hij door middel van die deelname toestemming heeft gegeven voor de vastlegging en de exploitatie van die uitvoering.