Afwijzing van ontbinding kwekersrechtlicentie

15-01-2026 Print this page

Partij A, veredelaar en houdster van kwekersrechten, werkte sinds begin deze eeuw samen met handelskwekerij B op basis van een schriftelijke licentieovereenkomst en daarnaast mondelinge afspraken. B teelde en verkocht planten en betaalde royalty’s. A ontbond de licentie in oktober 2022 wegens vermeende tekortkomingen. De rechtbank oordeelt dat de schriftelijke licentie niet van toepassing is op de betreffende rassen en dat partijen daarvoor handelden onder een mondelinge overeenkomst. Ontbinding is niet rechtsgeldig; de samenwerking bleef bestaan en vorderingen van A worden afgewezen. In reconventie krijgt B € 52.630,18 toegewezen; een claim wegens onverschuldigde royalty’s wordt afgewezen.
 

KWEKERSRECHT - GEEN RECHTSGELDIGE BEËINDIGING LICENTIE

 

Partij A is veredelaar, teler en verkoper van planten en snijheesters in de volle grond, waaronder diverse astrantia- en astilbe-rassen. Houdster van communautaire kwekersrechten. B is een handelskwekerij. Begin van de eeuw zijn partijen gaan samenwerken in een schriftelijke licentieovereenkomst.


Partij A was verantwoordelijk voor de veredelingswerkzaamheden en zorgde voor nieuwe rassen. partij B verzorgde de teelt op zijn teeltlocatie, de tuin. Uit de teelt verkocht partij B planten. Hiervoor betaalde hij royalty’s aan partij A. Verder vroeg partij B op zijn kosten maar op naam van partij A kwekersrechten aan. Partij B betaalde de jaarlijkse instandhoudingskosten daarvan. Partij A betaalde een vergoeding voor onderhoudskosten voor de tuin.


Partij A heeft de Licentieovereenkomst ontbonden per 15 oktober 2022 vanwege overtredingen, door royalty en boetefacturen niet te betalen en niet tijdig aanleveren van cijfers. Volgens B heeft hij aan verplichtingen voldaan en is de licentie in stand gebleven, verkoop van de rassen is doorgegaan.  

Partij B stelt dat de Licentieovereenkomst is niet van toepassing op de Rassen zij voor partij A teelt en in het recente verleden heeft geteeld. Partij A heeft daartoe aangevoerd dat de Licentieovereenkomst per nieuw ras wordt aangevuld met een bijlage I. Daarop staan fantasienamen die later worden gewijzigd in definitieve namen. Omdat het om kwekersrechtelijk beschermde rassen gaat, moet de licentieovereenkomst wel van toepassing zijn.

 

De overgelegde bijlages betreffen andere rassen, die [partij B] niet teelt of heeft geteeld, of dat kwekersrechtaanvragen zijn afgewezen, of het ras nooit is doorgezet of al meer dan 15 jaar niet meer in productie is.

 

De rechtbank volgt [partij A] niet in het betoog dat de Licentieovereenkomst wel van toepassing moet zijn op de Rassen, omdat de Rassen kwekersrechtelijk beschermd zijn en [partij B] zonder licentieovereenkomst geen (planten van de) rassen van [partij A] mag gebruiken, telen, verkopen en in sub-licentie geven. Nu de Rassen kwekersrechtelijk zijn beschermd ten gunste van [partij A] (vgl. artikel 27 GKVo), betekent dit echter niet automatisch dat de Licentieovereenkomst van toepassing is op die Rassen.


De rechtbank volgt het standpunt van [partij B] dat partijen met betrekking tot de genoemde Rassen hebben gehandeld op basis van een mondelinge (samenwerkings)overeenkomst, onder een andere mondelinge licentieovereenkomst.


De rechtbank oordeelt dat de buitengerechtelijke ontbinding door [partij A] niet rechtsgeldig is. De Licentieovereenkomst is niet van toepassing op de Rassen, zodat daarop geen beroep kon worden gedaan. Ook ontbinding van de mondelinge overeenkomst faalt, omdat geen tekortkomingen zijn aangetoond. De overeenkomst is dus niet ontbonden en blijft van kracht; alle daarop gebaseerde vorderingen worden afgewezen.


In reconventie vordert [partij B] €86.499,51 op basis van een overzicht van wederzijdse vorderingen over 2017–2024. Nauwelijks betwist, dus toewijzing. Eén post betreft € 33.869,33 aan vermeend onverschuldigd betaalde royalty’s. [partij B] stelt dat na 8 februari 2021 een royalty van € 0,125 per plant gold, terwijl [partij A] uitgaat van € 0,188. De rechtbank oordeelt dat uit de e-mail van 8 februari 2021 slechts instemming blijkt voor de periode vóór die datum en dat geen nieuwe afspraken zijn gemaakt voor daarna. [partij B] heeft niet bewezen dat € 0,125 is overeengekomen, zodat deze post wordt afgewezen. De overige, onbetwiste posten worden toegewezen tot € 52.630,18, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 23 april 2025.


ECLI:NL:RBDHA:2025:25422