2019

Print this page

IEPT20190704, HvJEU, Touristik v EUIPO

Aanduiding in standaardschrift van beeldmerk in het Uniemerkenblad irrelevant voor beoordeling van de fonetische perceptie van de tekens, die niet samenvallen met de aanduiding ervan in het blad. Grieven tegen ten overvloede aangevoerde overwegingen kunnen niet tot vernietiging bestreden arrest leiden.

 

IEPT20190703, HvJEU, Viridis v EUIPO

Gerecht mocht oordelen dat gebruik voor klinische proef geen normaal gebruik als Uniemerk oplevert: voor geneesmiddel waarvoor nog geen vergunning voor het in de handel brengen is verleend mag geen reclame worden gemaakt teneinde een marktaandeel te verkrijgen of behouden, ook gebruikshandelingen voorafgaand aan het in de handel brengen moeten van externe aard zijn teneinde normaal gebruik te kunnen aannemen. Gerecht heeft niet in zijn algemeenheid uitgesloten dat een verplichte klinische proef een geldige reden voor niet gebruik kan betekenen: geoordeeld dat merkinschrijving vóór proef en lange duur proef binnen invloedsfeer en verantwoordelijkheid merkhouder vielen, zodat zij niet kunnen worden beschouwd als belemmeringen die zich buiten haar wil hebben voorgedaan.

 

IEPT20190612, HvJEU, Patent- och registreringsverket v Hansson

Nationale regeling die voorziet in verklaring van afstand op grond waarvan bestanddeel samengesteld merk waarop die verklaring betrekking heeft, wordt uitgesloten van de globale analyse van de relevante factoren voor de vaststelling van verwarringsgevaar of waardoor aan een dergelijk bestanddeel meteen en permanent een beperkt gewicht wordt toegekend in die analyse is in strijd met artikel 4(1)(b) Merkenrichtlijn 2008.

 

IEPT20190605, HvJEU, Skype v BIPT
Aanbieden VoIP-dienst is een elektronische-communicatiedienst in de zin van artikel 2 van de kaderrichtlijn wanneer de aanbieder voor het aanbieden van deze dienst wordt vergoed en voor het aanbieden een overeenkomst moet sluiten met de aanbieders van telecommunicatiediensten die gemachtigd zijn om oproepen naar PSTN over te brengen en daaraan af te geven.
 

IEPT20190515, HvJEU, VM Vermögens Management

Argument dat merk VERMÖGENSMANUFAKTUR (van vóór IP-translator (IEPT20120619)) enkel voor diensten die onder letterlijke betekenis van de klasseomschrijvingen van klassen 35 en 36 vallen nietig is verklaard faalt: merk was beschermd voor alle diensten uit die klassen en dus door Kamer van Beroep nietig verklaard voor alle diensten van de klassen 35 en 36,  motivering GEU toereikend. Argument dat Gerecht oordeel dat betwiste merk onderscheidend vermogen miste alleen omdat de uitdrukking een Vermögensmanufaktur een lovende verwijzing is berust op onjuiste lezing bestreden arrest. Argumenten rekwirante over gebruik van geweigerd bewijs door Kamer van Beroep niet-ontvankelijk: betreffen slechts herhaling argumenten eerste aanleg.

 

IEPT20190502, HvJEU, Fundación Queso Manchego v IQC

Gebruik van beeldtekens kan een voorstelling van een geregistreerde benaming oproepen. Gebruik van beeldtekens die een voorstelling van het geografisch gebied waarmee een oorsprongsbenaming verband houdt oproepen kan een voorstelling van die beschermde oorsprongsbenaming oproepen, ook wanneer die beeldtekens worden gebruikt door een producent die in die regio is gevestigd maar wiens producten, die identiek zijn aan of vergelijkbaar zijn met de door deze oorsprongsbenaming beschermde producten, niet onder die beschermde oorsprongsbenaming vallen. Of sprake is van een voorstelling van de beschermde oorsprongsbenaming moet worden beoordeeld uitgaande van vermoedelijke reactie van de consument, waarbij moet worden nagegaan of sprake is van een voldoende rechtstreeks en duidelijk verband tussen de litigieuze elementen en de geregistreerde benaming. Begrip “normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument” ziet op Europese consument met inbegrip van de consument van de lidstaat waar het product dat de voorstelling van de beschermde benaming oproept, wordt vervaardigd of waarmee die benaming geografisch verbonden is en waar het product hoofdzakelijk wordt geconsumeerd.

 

IEPT20190411, HvJEU, ÖKO-Test Verlag v Dr. Rudolf Liebe

Houder van individueel merk bestaande uit testlabel kan zich op grond van artikel 9(1)(a) en (b) GMeV en artikel 5(1)(a) en (b) Mrl 2008 niet verzetten tegen derde die teken dat gelijk is aan of overeenstemt met dit merk aanbrengt op waren die noch dezelfde zijn als noch soortgelijk zijn aan de waren of diensten waarvoor merk is ingeschreven. Voor bekendheid merk bestaande uit testlabel is vereist dat aanmerkelijk deel publiek het testlabel kent: niet vereist dat publiek op de hoogte is dat testlabel als merk is ingeschreven. Houder van bekend individueel merk bestaande uit testlabel kan zich op grond van artikel 9(1)(c) en (b) GMeV en artikel 5(2) Mrl 2008 verzetten tegen derde die teken dat gelijk is aan of overeenstemt met dit merk aanbrengt op waren die noch dezelfde zijn als noch soortgelijk zijn aan de waren of diensten waarvoor merk is ingeschreven, indien daardoor ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van dat merk en niet is aangetoond dat er een “geldige reden” is voor het aanbrengen van dat teken.

 

IEPT20190410, HvJEU, The Green Effort v EUIPO

Gerecht heeft geen blijk gegeven van onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat termijn voor het instellen beroep was verstreken: artikel 4 lid 4 van het besluit betreffende elektronische mededelingen van en aan het Bureau moet aldus worden uitgelegd dat een kennisgeving zal worden geacht te hebben plaatsgevonden op de vijfde kalenderdag na de dag waarop het EUIPO het document in de inbox van de gebruiker heeft geplaatst, tenzij de daadwerkelijke datum van kennisgeving precies kan worden vastgesteld op een andere dag binnen die periode.

 

IEPT20190327, HvJEU, Hartwall

Door aanvrager bij inschrijving aan een teken gegeven kwalificatie als “kleurmerk” of “beeldmerk” is een van de relevante elementen voor de beoordeling of dit teken een merk kan vormen ex artikel 2 Merkenrichtlijn 2008 en of dit teken onderscheidend vermogen heeft ex artikel 3(1)(b). Merkenrechtelijke autoriteit verplicht om over te gaan tot een concrete en globale analyse van het onderscheidend vermogen van het betrokken merk: autoriteit kan inschrijving van teken als merk niet weigeren op loutere grond dat dit teken geen onderscheidend vermogen heeft verkregen door het gebruik dat ervan is gemaakt voor de geclaimde waren of diensten. Inschrijving als kleurmerk van teken dat wordt weergegeven door tekening in kleur met afgebakende omtreklijnen, maar wordt omschreven als kleurmerk dient te worden geweigerd wegens tegenstrijdigheid in de inschrijvingsaanvraag.

 

IEPT20190321, HvJEU, Abraxis Bioscience

Vergunning voor het in de handel brengen waarop een aanvraag voor een ABC wordt gebaseerd die betrekking heeft op een nieuwe formulering van een bestaande werkzame stof, kan niet worden beschouwd als de eerste vergunning voor het in de handel brengen van het betrokken product als geneesmiddel wanneer voor deze werkzame stof als zodanig al eerder een dergelijke vergunning is afgegeven.

 

IEPT20190314, HvJEU, Textilis v Svenskt Tenn

Artikel 7(1)e)iii) UMeV (Vo 207/2009 zoals gewijzigd bij Vo 2015/2424) niet van toepassing op merken die vóór de inwerkingtreding van de wijziging van die verordening (23 maart 2016) zijn ingeschreven. Teken bestaande uit tweedimensionale decoratieve patronen dat op waren zoals stoffen of papier is aangebracht bestaat niet “uitsluitend uit de vorm” in de zin van artikel 7(1)e)iii) GMeV (Vo 207/2009 van vóór de wijziging bij Vo 2015/2524). Ofschoon het betrokken teken in het hoofdgeding vormen weergeeft die bestaan uit de externe omtrekken van tekeningen die op gestileerde wijze delen van geografische kaarten afbeelden, bevat dit teken – naast deze vormen – decoratieve bestanddelen die zich zowel binnen als buiten deze omtrekken bevinden. Dat teken tevens auteursrechtelijk beschermd is, is irrelevant voor vraag of het al dan niet uitsluitend bestaat uit een “vorm”.

 

IEPT20190214, HvJEU, De Staat v Warner-Lambert

In VHB-procedure door de aanvrager gedane mededeling van de bijsluiter of een samenvatting van de productkenmerken van dat geneesmiddel, waarin geen melding wordt gemaakt van indicaties of doseringsvormen die nog onder het octrooirecht vielen op het tijdstip waarop het geneesmiddel op de markt werd gebracht (“carve-out”), vormt een verzoek tot beperking van de reikwijdte van de VHB voor het generieke geneesmiddel in kwestie

 

IEPT20190131, HvJEU, Pandalis v EUIPO

Woordmerk Cystus mocht ondanks vermelding op verpakking voor voedingssupplementen vervallen worden verklaard wegens ontbreken normaal gebruik: geen normaal gebruik indien het aanbrengen van een merk er niet toe bijdraagt dat een afzet voor de waar wordt gevonden of dat de waar in het belang van de consument wordt onderscheiden van die van andere ondernemingen, Gerecht heeft verklaard dat het gebruik “cystus” op de verpakkingen gelet op de context ervan door het publiek als beschrijvend voor het hoofdingrediënt van deze producten “cistus” zou worden opgevat en niet als aanduiding van de commerciële herkomst van deze waren, hiermee is niet geoordeeld dat het betrokken merk beschrijvend is zodat de klacht hiertegen faalt.

 

IEPT20190123, HvJEU, Klement v EUIPO

Gerecht EU heeft impliciet geoordeeld dat enkel door de ongewone vorm van het merk het aangevallen driedimensionale merk van een oven een groot onderscheidend vermogen heeft, ondanks dat de vorm tot op zekere hoogte functioneel is. Merk normaal gebruikt, ondanks dat op de waren ook het woordmerk “Bullerjan” wordt aangebracht: Gerecht EU mocht oordelen dat het woordmerk “Bullerjan” minder onderscheidend vermogen heeft dan het driedimensionale merk en de totaalindruk daarvan niet wijzigt. Feit dat het woordmerk “Bullerjan” mogelijk de bepaling van de commerciële herkomst van de desbetreffende ovens kan faciliteren niet tegenstrijdig met het feit dat het woordmerk niet het onderscheidend vermogen van het driedimensionale merk dat bestaat uit de vorm van de waren wijzigt. In situatie dat gerecht van eerste aanleg heeft vastgesteld dat het betrokken merk significant afwijkt van de norm of wat gangbaar is in de betrokken sector is het niet aan de merkhouder om verder bewijs te leveren dat de vorm niet gangbaar is in de betrokken sector, maar aan degene die het verval van het merk inroept.