2024 HvJEU

Print this page

IEPT20241114, HvJEU, Reprobel v Copaco
Bepalingen inzake billijke compensatie voor reprografie en privékopieën (Artikel 5(2)(a) en(b) Auteursrechtrichtlijn) hebben rechtstreekse werking: zodat particulieren zich direct bij onjuiste omzetting van de bepaling zich daarop kunnen beroepen om toepassing te verhinderen van nationale regels die hem verplichten een vergoeding ter billijke compensatie te betalen die strijdig is met deze bepaling. De bepalingen verzetten zich er tegen dat een entiteit belast met inning en verdeling van de billijke compensatie voor de vervulling van deze taak van algemeen belang beschikt over bijzondere (informatie)bevoegdheden die verder gaan dan wat in betrekkingen tussen particulieren geldt.  

 

IEPT20241114, HvJEU, Compass Banca
Begrip ‘gemiddelde consument’ sluit niet uit dat besluitvaardigheid van een persoon verstoord kan worden: Redelijke geïnformeerdheid sluit niet uit dat een handelspraktijk economisch gedrag van fictieve consument kan verstoren. Ook niet uitgesloten dat rekening wordt gehouden met de invloed die cognitieve vertekeningen op de gemiddelde consument kunnen hebben. Echter heeft niet elk risico van cognitieve vertekening door een handelspraktijk onvermijdelijk tot gevolg dat het gedrag van die fictieve consument wezenlijk wordt verstoord. Handelspraktijk waarbij aan consument gelijktijdig persoonlijke lening en niet aan die lening verwant verzekeringsproduct worden aangeboden is niet onder alle omstandigheden agressief of oneerlijk: Een dergelijke praktijk waarbij geen bedenktijd wordt gegeven tussen ondertekening van de overeenkomsten, betekent niet zonder meer dat sprake is van druk of ongepaste beïnvloeding, zelfs wanneer deze praktijk kan leiden tot vertekening door framing. Richtlijn oneerlijke handelspraktijken 2005/29 verzet zich niet tegen nationale maatregel die handelaar verplicht aan een consument een redelijke bedenktijd te geven tussen ondertekening van verzekerings- en leningsovereenkomst: Wanneer een nationale autoriteit heeft vastgesteld dat de handelspraktijk van de betrokken handelaar ‘’agressief’’ of ‘’oneerlijk’’ is, en geen andere, minder ingrijpende middelen bestaan die de vrijheid van ondernemerschap minder aantasten. Artikel 24 lid 3, van de richtlijn verzekeringsdistributie 2016/97 verzet zich niet tegen nationale maatregel die handelaar met ‘’agressieve’’ of ‘’oneerlijke’’ handelspraktijk kan verplichten consumenten een redelijke bedenktijd te bieden tussen ondertekening van de betrokken overeenkomsten: De bepaling verplicht nationale autoriteiten niet verder te gaan dan de richtlijn, maar verlangt enkel dat consumenten bij koppelverkoop producten of diensten ook afzonderlijk kunnen aanschaffen. Maar sluit evenmin uit dat autoriteiten gebruikmaken van hun bevoegdheden op grond van richtlijn 2005/29 om oneerlijke of agressieve handelspraktijken te beëindigen.

 

IEPT20241024, HvJEU, Kwantum v Vitra

Voorwerp van toegepaste kunst valt binnen materiële werkingssfeer Unierecht: Mits voorwerp kan worden aangemerkt als een „werk” in de zin van richtlijn 2001/29 (Infosoc). Het Unierecht staat eraan in de weg dat lidstaten de materiële-reciprociteitstoets toepassen op werken van toegepaste kunst waarvan het land van oorsprong een derde land is en de auteur een onderdaan is van dat derde land: Werkbegrip Infosoc-richtlijn is ook van toepassing op derdeland-werken van toegepaste kunst, toepassing materiële-reciprociteitstoets ondermijnt harmonisatie auteursrecht in interne markt, uitsluitend aan Uniewetgever om te bepalen of de toekenning van de in art. 2 sub a en art. 4 lid 1 Infosoc-richtlijn genoemde rechten moeten worden beperkt. Art. 351 VWEU moet zo worden uitgelegd dat het een lidstaat niet toestaat om de materiële-reciprociteitstoets toe te passen op een werk uit de VS: Een lidstaat kan zich niet op artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie beroepen om zich te onttrekken aan de uit de Infosoc-richtlijn voortvloeiende verplichtingen, Berner Conventie verbiedt niet om auteursrechtelijke bescherming te verlenen aan dergelijke werken en beroep op grotere mate van bescherming staat open. 

 

IEPT20241017, HvJEU, Sony v Datel
Geen auteursrechtelijke bescherming voor variabele gegevens die door computerprogramma worden opgeslagen en gebruikt. De door de Softwarerichtlijn 2009/24 geboden bescherming geldt niet voor de inhoud van variabele gegevens die door een beschermd computerprogramma in het werkgeheugen van een computer worden opgeslagen en tijdens de werking ervan worden gebruikt, voor zover het met die inhoud niet mogelijk is het programma te reproduceren of later te vervaardigen. Bescherming is beperkt tot de letterlijke uitdrukking van het programma zoals weergegeven in de tekst van de bron- en doelcode,  die elk een reeks instructies zijn volgens welke de computer de door de maker van het programma uiteengezette taken moet uitvoeren. Elementen die slechts de werking of het gebruik van het programma beïnvloeden vallen daarbuiten.

 

IEPT20241015, HvJEU, Kubera
Hoogste nationale rechter mag een verzoek om toestemming voor het instellen van beroep tot herziening niet afwijzen zonder te beoordelen of hij op grond van art. 267 VWEU verplicht is een prejudiciële vraag te stellen. Wanneer die hoogste nationale rechterlijke instantie geen verzoek om een prejudiciële beslissing indient moet worden voldaan aan het motiveringsvereiste. 

 

IEPT20241004, HvJEU, Real Madrid v Le Monde

Tenuitvoerlegging vonnis waarbij journalist en uitgever worden veroordeeld tot betalen schadevergoeding moet worden geweigerd, voor zover dit zou leiden tot schending persvrijheid: Openbare-ordeclausule art. 34 punt 1 verordening 44/2001 alleen toepasbaar indien tenuitvoerlegging inbreuk maakt op fundamenteel beginsel, persvrijheid ex art. 11 lid 2 Handvest in het bijzonder een van de wezenlijke grondslagen van een democratische en pluralistische samenleving en disproportionele schadevergoeding kan afschrikwekkend effect hebben op uitoefening persvrijheid. 

 

IEPT20240919, HvJEU, Parfümerie Akzente v KTF
Nationale etiketteringsvereisten voor online verkochte producten vallen buiten het gecoördineerde gebied van de e-commercerichtlijn 2000/31. Etikettering vormt, net als verpakking, vorm of samenstelling, een vereiste met betrekking tot goederen als zodanig, die de Uniewetgever uitdrukkelijk van het gecoördineerde gebied heeft willen uitsluiten. Derhalve valt een dienstverlener van de informatiemaatschappij zowel onder e-commercerichtlijn 2000/31, met name wat de vereisten inzake onlinereclame betreft, als de Unieregels die uitvoering geven aan de verplichtingen inzake etikettering van de producten die hij op zijn website te koop aanbiedt. Taalvereisten voor etikettering waarborgen consumentenbescherming en volksgezondheid. De bescherming van de volksgezondheid kan niet ten volle worden gewaarborgd indien consumenten niet in staat zijn kennis te nemen van en begrip te hebben voor de aanduidingen betreffende de functie van cosmetische producten en de bijzondere voorzorgsmaatregelen bij het gebruik ervan.

 

IEPT20240910, HvJEU, Google en Alphabet v Commissie
Misbruik van (onbetwiste) machtspositie Google (artikel 102 VWEU) op dertien nationale markten voor algemene zoekopdrachten. Concurreren op andere wijze dan op basis van verdienste? In het algemeen is daarvoor het enkel gunstiger behandelen van eigen producten of diensten onvoldoende; Kan aan de orde zijn in geval van discriminatie bestaande uit twee componenten: opwaardering van eigen resultaten en lagere rangschikking van die van concurrent. Voorwaarden Bronner-arrest niet van toepassing indien een onderneming met een machtspositie toegang tot haar infrastructuur verleent, maar onbillijke voorwaarden stelt voor die toegang, de levering van diensten of de verkoop van producten. De voor een beoordeling van misbruik relevante feitelijke omstandigheden hebben niet alleen betrekking hebben op de gedraging zelf, maar ook op de betrokken markt of markten of op de werking van de mededinging daarop. 

 

IEPT20240620, HvJEU, Indo European Foods
Einde Brexit-overgangsperiode doet beroep tegen EUIPO-beslissing in oppositie op basis van ouder niet-ingeschreven Brits teken niet zonder voorwerp raken en procesbelang niet automatisch vervallen. Het voorwerp van het geding blijft bestaan zolang de bestreden beslissing niet formeel is ingetrokken of met terugwerkende kracht is verdwenen. 

 

IEPT20240620, HvJ EU, GEMA v Rangsdorf GL

Het begrip “mededeling aan het publiek” omvat ook de weloverwogen beschikbaarstelling, door de exploitant van een verhuurd appartementsgebouw, van televisietoestellen die zijn uitgerust met een kamerantenne en die zonder verdere tussenkomst signalen opvangen en uitzendingen mogelijk maken, voor zover de huurders van die appartementen als een „nieuw publiek” kunnen worden beschouwd. Mededeling aan het publiek versus enkele beschikbaarstelling van faciliteiten. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat met name op basis van de centrale rol van de gebruiker om zijn klanten toegang te verlenen tot beschermde werken en van de weloverwogen aard van zijn interventie, in het bijzonder wanneer hij een winstoogmerk heeft, bij de toepassing van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 een onderscheid kan worden gemaakt tussen enerzijds de “mededeling aan het publiek” in de zin van deze bepaling en anderzijds de „enkele beschikbaarstelling van faciliteiten” in de zin van overweging 27 van deze richtlijn.

 

IEPT20240411, HvJEU, Citadines v MPLC

Onder een ‘mededeling aan het publiek’ in de zin van art. 3 lid 1 Auteursrechtrichtlijn 2001 valt de beschikbaarstelling van televisietoestellen in de kamers of de fitnessruimte van een hotel, waarbij een signaal aan deze toestellen wordt doorgegeven via een eigen kabeldistributienetwerk.

 

IEPT20240327, HvJEU(VP), Commission v Amazon

Amazon's verzoek om de verplichting op te schorten om een advertentierepository openbaar beschikbaar te maken wordt afgewezen. Amazon is aangewezen als zeer groot online platform en dient haar repository met gedetailleerde informatie over haar online advertenties openbaar beschikbaar te stellen. Amazon heeft om nietigeverklaring van dat besluit verzocht bij het Gerecht en een voorlopige maatregel verzocht om voor zover zij haar advertentierepository openbaar beschikbaar moest maken. Beroep hiertegen is ingesteld door de Commissie. Amazon zonder opschorting waarschijnlijk ernstige en onherstelbare schade lijden voordat een uitspraak tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie wordt gedaan. Niet is aangetoond dat het voortbestaan of de langetermijnontwikkeling van Amazon in gevaar zou komen. De belangen die worden verdedigd door de EU-wetgever prevaleren, in dit geval, boven de materiële belangen van Amazon, zodat de afweging van belangen in het voordeel uitvalt van het afwijzen van het verzoek om opschorting.

 

IEPT20240321, HvJEU, Liberi editori e autori (LEA) v Jamendo

De vrijheid van dienstverrichting (artikel 56 VWEU), gelezen in samenhang met de Richtlijn Collectief beheer (2014) verzet zich tegen een wettelijke regeling van een lidstaat die op algemene en absolute wijze uitsluit dat in een andere lidstaat gevestigde onafhankelijke beheerentiteiten in eerstgenoemde lidstaat hun diensten inzake het beheer van auteursrechten kunnen verrichten. Richtlijn inzake elektronische handel is niet van toepassing op beheer van auteursrechten en naburige rechten. Beheer van auteursrechten en naburige rechten valt niet binnen werkingssfeer van Dienstenrichtlijn 2006.

 

IEPT20240305, HvJ EU, Public.Resource.Org en Right to Know v Commissie
Geharmoniseerde normen voor de veiligheid van speelgoed maken wegens hun rechtsgevolgen deel uit van het Unierecht - hoger openbaar belang gebiedt openbaarmaking daarvan. De Commissie had in het litigieuze besluit moeten erkennen dat er een hoger openbaar belang in de zin van artikel 4, lid 2, laatste zinsdeel, van verordening nr. 1049/2001 bestond, dat voortvloeit uit het rechtsstaatbeginsel, het transparantiebeginsel, het beginsel van openheid en het beginsel van goed bestuur, en dat openbaarmaking van de opgevraagde geharmoniseerde normen gebiedt, aangezien deze normen wegens hun rechtsgevolgen deel uitmaken van het Unierecht.

 

IEPT20240227, HvJEU, EUIPO v KaiKai

Noch art. 41 Gemeenschapsmodellen-verordening, noch art. 4 Verdrag van Parijs voorziet in een termijn van twaalf maanden voor voorrangsrechten voor modellen. Art. 4 van het Verdrag van Parijs heeft geen rechtstreekse werking in de Europese Unie. Het recht van voorrang voor de indiening van een gemeenschapsmodelaanvraag wordt beheerst door artikel 41 van Gemeenschapsmodellenverordening. Gerecht blijk gegeven van onjuiste rechtstoepassing door artikel 41 lid 1 Gemeenschapsmodellen-verordening rechtstreeks toe te passen bij recht op voorrang op basis octrooi. Art. 41 Gemeenschapsmodellenverordening staat niet toe dat een aanvraag tot inschrijving van een octrooi de grondslag vormt voor een recht van voorrang voor een latere aanvraag tot inschrijving van een gemeenschapsmodel. Termijn voor aanspraak op recht van voorrang bedraagt zes maanden, zoals uitdrukkelijk is vastgesteld in artikel 41 Gemeenschapsmodellenverordening. Op grond van art. 4 Verdrag van Parijs kan geen aanspraak op voorrang voor een modelaanvraag worden gemaakt op basis  van een eerdere octrooiaanvraag. Uit gezamenlijke lezing van afdelingen A en C van art. 4 volgt dat de latere aanvraag betrekking moet hebben op „hetzelfde onderwerp” als de eerdere aanvraag die de grondslag voor het recht van voorrang vormt. Het geclaimde recht van voorrang is meer dan zes maanden voor de aanvraag en wordt terecht geweigerd, bestreden arrest vernietigd. 

 

IEPT20240130, HvJEU, RTI v Agcom

Uitzondering van artikel 23 lid 2 Richtlijn audiovisuele mediadiensten (2010/13) ziet niet op reclameboodschappen die een omroeporganisatie uitzendt voor een radiostation dat tot dezelfde groep van vennootschappen behoort: tenzij, ten eerste, de programma’s waarop deze reclameboodschappen betrekking hebben, „audiovisuele mediadiensten” in de zin van artikel 1, lid 1, onder a), AVMD-richtlijn zijn. En, ten tweede, de omroeporganisatie voor deze diensten „redactionele verantwoordelijkheid” in de zin van artikel 1, lid 1, onder c), AVMD-richtlijn draagt.

 

IEPT20240125, HvJEU, Audi v GQ
grilleMerkinbreuk reserveonderdeel voorzien van met het merk overeenstemmende vorm indien het gebruik daarvan afbreuk kan doen aan  een of meerdere functies van het merk (artikel 9(2) en (3) UMeV). Reparatieclausule van artikel 110 Gemeenschapsmodellenverordening niet naar analogie van toepassing op het merkenrecht. Bestemmingsaanduidingsbeperking op het merkrecht voor accessoire of reserveonderdeel staat aan inbreukverbod voor een met de vorm van het merk overeenstemmend grille onderdeel niet in de weg, ongeacht of het technisch mogelijk is het merk op de grille te bevestigen zonder dat onderdeel (artikel 14(1)(c) UMeV)
 

 

IEPT20240118, HvJEU, HP v Senetic
Omkering bewijslast uitputting en selectieve distributie. Vrij verkeer van goederen staat er aan in de weg dat de bewijslast inzake de uitputting van het aan een Uniemerk verbonden recht uitsluitend rust op de verwerende partij in de inbreukprocedure wanneer de van dat merk voorziene waren – waarop geen etiketten zijn aangebracht aan de hand waarvan derden de doelmarkt kunnen identificeren en die worden gedistribueerd via een selectief distributienetwerk waarbij de leden deze waren alleen aan andere leden van dat netwerk of aan eindgebruikers kunnen doorverkopen – door die verwerende partij in de Unie of in de EER zijn gekocht nadat de verkopers hebben verzekerd dat die waren daar rechtmatig in de handel konden worden gebracht, en de merkhouder weigert deze controle zelf te verrichten op verzoek van de koper.

 

IEPT20240111, HvJEU, Mylan v Gilead
Artikel 9(7) van de Handhavingsrichtlijn verzet zich niet tegen een op risicoaansprakelijkheid gebaseerde nationale regeling inzake vergoeding van door een voorlopige maatregelen veroorzaakte schade wanneer de rechter bevoegd is om het bedrag van de schadevergoeding aan te passen, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak waaronder de eventuele betrokkenheid van de verweerder bij het ontstaan van de schade.

 

IEPT20240111, HvJEU, Inditex v Buongiorno 
Toegestaan verwijzend merkgebruik vereist dat gebruik van het merk nodig is om de bestemming van een door een derde op de markt gebrachte waar – een cadeaubon – aan te geven. Artikel 6(1)(c) van Merkenrichtlijn 2008/95 ziet enkel op het gebruik van het merk in het economische verkeer door een derde om overeenkomstig de eerlijke gebruiken in nijverheid en handel waren of diensten te identificeren of ernaar te verwijzen als die van de houder van dat merk wanneer een dergelijk gebruik van het merk nodig is om de bestemming van een door deze derde op de markt gebrachte waar of van een door hem aangeboden dienst aan te geven. Het is aan de nationale rechter om te bepalen of Buongiorno met haar gelanceerde reclamecampagne voor een abonnement op een van haar diensten waardoor kon worden deelgenomen aan een loterij met een „ZARA-cadeaubon” als een van de prijzen en waarbij de abonnee het teken „ZARA” zag verschijnen gebruikmaakt van het merk ZARA.