2025 HvJEU
Print this pageIEPT20251218, HvJEU, SACD
Unierecht verzet zich niet tegen een nationaal ontvankelijkheidsvereiste dat alle medehouders van het auteursrecht op een gemeenschappelijk werk in het geding worden geroepen, mits die voorwaarde de betrokken procedure niet onnodig ingewikkeld of kostbaar maakt. Een dergelijke ontvankelijkheidseis valt in beginsel onder de procedurele autonomie van de lidstaten, omdat de Unierechtelijke bepalingen niet voorschrijven op welke wijze rechtsmiddelen moeten worden uitgeoefend in geval van medehouderschap van een auteursrecht. De nationale rechter moet waarborgen dat het in artikel 47 van het Handvest vastgelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte wordt geëerbiedigd en moet zo nodig de betrokken nationale bepalingen buiten toepassing laten.
IEPT20251218 HvJEU, Deity Shoes v Mundorama
Geen minimum aan creatieve activiteit vereist voor bescherming gemeenschapsmodellen. De Gemeenschapsmodellenverordening nr. 6/2002 stelt geen andere, aanvullende voorwaarden dan nieuwheid en eigen karakter. Zodat de houder of ontwerper niet hoeft aan te tonen dat er sprake is van een minimum aan creatieve activiteit. De verschijningsvorm is het doorslaggevende element voor de aan gemeenschapsmodellen geboden bescherming. Modetrends beperken de ontwerpvrijheid niet zodanig dat dit de drempel voor modelbescherming verlaagt. Kenmerken die aan modetrends zijn verbonden verschillen van kenmerken die zijn verbonden aan de technische functie of toepasselijke wettelijke voorschriften, omdat die laatste zowel onvermijdelijk als permanent of duurzaam zijn. Verder kunnen modetrends niet worden beschouwd als een beperking van de vrijheid van de ontwerper, aangezien juist die vrijheid hem in staat stelt om nieuwe vormen en trends te ontdekken of om te innoveren binnen een bestaande trend, zodat kleine verschillen tussen een of meer oudere modellen en het aan de orde zijnde model niet reeds voldoende kunnen zijn om een andere algemene indruk en dus een eigen karakter aan te nemen. Kenmerken die voortvloeien uit modetrends zijn niet van minder belang voor de algemene indruk die het wekt bij de geïnformeerde gebruiker. Dat verschillen tussen modellen gebaseerd zijn op modetrends, maakt de geïnformeerde gebruiker in beginsel niet minder oplettend. Het is aan de verwijzende rechter om te beoordelen of de verschillen voldoende groot zijn voor een andere algemene indruk, dan wel slechts onbeduidende details betreffen.
IEPT20251218, HvJEU, PMJC v Jean-Charles de Castelbajac
Merk met naam modeontwerper kan vervallen worden verklaard wegens misleidend gebruik. Indien dit merk door de houder ervan of met diens instemming op zodanige wijze wordt gebruikt dat bij de normaal geïnformeerde, redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument ten onrechte de indruk kan worden gewekt dat de ontwerper betrokken is geweest bij het ontwerp van de waren waarop dat merk is aangebracht. Dit moet worden onderzocht in het licht van alle omstandigheden van het concrete geval. Bovendien geldt ten aanzien van de bepalingen over vervallenverklaring dat: de in Merkenrichtlijn 2008/95 en Merkenrichtlijn 2015/2436 genoemde kenmerken waarover het publiek kan worden misleid niet uitputtend zijn; Ook het stilistische auteurschap kan een dergelijk kenmerk zijn; Ten slotte is voor vervallenverklaring vereist dat sprake is van werkelijke misleiding of voldoende ernstig risico van misleiding van de consument.
IEPT20251218, HvJEU, OSA
Misbruik machtspositie collectieve beheersorganisatie: indien zij geen rekening houdt met de bezettingsgraad van hotels bij de berekening van vergoedingen voor verlening van een licentie om auteursrechtelijke werken beschikbaar te stellen kan dit - naar gelang de relevante omstandigheden - bijdragen tot de vaststelling dat sprake is van misbruik van machtspositie vanwege toepassing van onbillijke (te hoge) prijzen als bedoeld in artikel 102 lid 2 onder a VWEU. Voor de vaststelling van misbruik machtspositie volstaat dat wordt aangetoond dat de betrokken praktijk kan ingrijpen in een structuur van daadwerkelijke mededinging en is niet vereist dat wordt bewezen dat de praktijk consumenten daadwerkelijk of rechtstreeks kan schaden. Om aan te tonen dat het als misbruik aangemerkte prijsbeleid de handel tussen lidstaten wezenlijk ongunstig kan beïnvloeden volstaat het vast te stellen dat de collectieve beheersorganisatie naast de rechthebbenden uit de lidstaat waar zij een monopolie bezit ook die van rechthebbenden uit andere lidstaten beheerst. Aangezien haar tariefpraktijk de handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden.
IEPT20251204, HvJEU, Mio v Asplund & USM v Konektra
Er bestaat geen regel-uitzondering-relatie tussen modelrechtelijke bescherming en auteursrechtelijke bescherming in die zin dat bij het onderzoek van de oorspronkelijkheid van voorwerpen van toegepaste kunst hogere eisen zouden moeten worden gesteld dan die welke gelden voor andere soorten werken. Samenloop Auteursrecht en Modellenrecht is beperkt tot bepaalde gevallen, aangezien een auteur een uniek werk dient te creëren dat zijn persoonlijkheid weerspiegelt en als zodanig beschermd is. Om inbreuk op het auteursrecht vast te stellen, dient te worden bepaald of creatieve elementen van het beschermde werk op een herkenbare manier zijn overgenomen in het vermeend inbreukmakende voorwerp.
IEPT20250904, HvJEU, Lego v Pozitív Energiaforrás
Beschermingsomvang modelrecht op een onderdeel van een modulair systeem (bouwspeelgoed) te beoordelen (Artikel 10 GMoV) aan de hand van de algemene visuele indruk die het model wekt bij een geïnformeerde gebruiker die – zonder een ontwerper of een technisch deskundige te zijn – verschillende in de betrokken sector bestaande modellen kent, een zekere mate van kennis bezit met betrekking tot de elementen die deze modellen over het algemeen bevatten, en door zijn belangstelling voor de betrokken voortbrengselen blijk geeft van een relatief hoog aandachtsniveau wanneer hij deze gebruikt als onderdelen van het modulaire systeem waarvan zij deel uitmaken, en niet bij een gebruiker die, aangezien hij over technische kennis beschikt die vergelijkbaar is met die welke van een vakman kan worden verwacht, het betrokken model tot in de kleinste details onderzoekt en wiens algemene indruk hoofdzakelijk op technische overwegingen berust. Geen “bijzondere reden” voor het niet opleggen van een verbod in geval van een modulair systeem (Artikel 89 GMoV) wanneer de inbreuk slechts betrekking heeft op enkele elementen van dat systeem, die kwantitatief weinig talrijk zijn in verhouding tot het totale aantal onderdelen van het systeem.
IEPT20250911, HvJEU, Salaparuta
Unierechtelijke weigeringsgrond ‘misleiding wegens bekend ouder merk’ is niet van toepassing op vóór 1 augustus 2009 automatisch beschermde wijnbenamingen. Voor wijnbenamingen die op grond van artikel 54 van Verordening (EG) nr. 1493/1999 op nationaal niveau waren erkend en daarna automatisch bescherming kregen via de overgangsbepalingen, geldt uitsluitend het beschermingsregime van die verordening. De bekendmaking en opname van dergelijke wijnbenamingen in het Unieregister in 2009 vormt geen nieuwe registratie, maar slechts de automatische voortzetting van reeds bestaande bescherming, die door de Uniewetgever is gewaarborgd om redenen van rechtszekerheid. De latere Unierechtelijke bepalingen inzake weigering van bescherming wegens mogelijke misleiding door een bekend ouder merk zijn uitsluitend van toepassing op nieuwe beschermingsaanvragen. Conflicten tussen een beschermde wijnbenaming en een bekend ouder merk dat een identieke benaming bevat, worden volledig en uitputtend geregeld door bijlage VII, deel F, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1493/1999: de beschermde wijnnaam heeft voorrang, maar een ouder bekend merk mag onder strikte voorwaarden blijven bestaan en worden gebruikt (co-existentie), zonder het gebruik van de geografische naam te kunnen tegenhouden. Bepalingen van internationaal recht, zoals de TRIPS-overeenkomst, het Verdrag van Parijs en de Overeenkomst van Madrid, doen aan deze beoordeling geen afbreuk, aangezien zij geen rechtstreekse werking hebben en particulieren daaraan geen rechten kunnen ontlenen om de Unierechtelijke bescherming van dergelijke wijnbenamingen aan te tasten.
IEPT20250801, HvJEU, Lunapark, Scandinavia v Hardeco Finland
Rechtsverwerking merkinbreukvorderingen volledig geharmoniseerd door Merkenrichtlijn 2015/2436: Verzet zich tegen de toepassing van een algemeen beginsel van nationaal privaatrecht waardoor rechtsverwerking wordt aangenomen in andere gevallen dan in de richtlijn.
IEPT20250710, HvJEU, UPFR v DADA Music
Unierecht verplicht niet tot een forfaitaire minimumvergoeding voor fonogramproducenten. Uit artikel 8 lid 2 van de Verhuurrichtlijn 2006/115 en artikel 16 lid 2 van de Richtlijn collectief beheer 2014/26 volgt niet dat lidstaten rechthebbenden een forfaitaire minimumvergoeding moeten garanderen. Deze bepalingen beogen juist te waarborgen dat rechthebbenden een vergoeding ontvangen die verband houdt met de economische waarde van het gebruik, waarbij de begrippen „billijke vergoeding” en „passende vergoeding” uniform moeten worden uitgelegd. Lidstaten hebben een ruime beoordelingsmarge bij het vaststellen van criteria voor die vergoeding, maar moeten daarbij Unierecht en het Handvest respecteren. Nationale rechter moet billijkheid en passendheid van vergoeding toetsen. Die toets vergt dat wordt gezocht naar een passend evenwicht tussen het belang van rechthebbenden en het belang van gebruikers, dit vereist dat hij onder meer rekening houdt met: de economische waarde van het gebruik in het handelsverkeer, de aard en reikwijdte van het gebruik en de waarde van de door de collectieve beheerorganisatie verleende dienst. In een geschil tussen particulieren kan een nationale rechter een nationale wet niet op grond van een richtlijn buiten toepassing laten, tenzij het nationale recht daarin zelf voorziet. Als gevolg van het feit dat richtlijnen geen verplichtingen kunnen opleggen aan particulieren en horizontale rechtstreekse werking missen.
IEPT20250710, HVJEU, Sanchez Romero Carvajal Jabugo v Embutidos Monells
Kwade trouw sluit rechtsverwerking wegens gedogen uit. De kwade trouw van de aanvrager bij de indiening van de aanvraag tot inschrijving vormt een absolute nietigheidsgrond, waarvan de inroeping naar haar aard niet vatbaar is voor verjaring. De volgende omstandigheden kunnen aan dit oordeel niet afdoen: dat de houder van het oudere merk in een tot de houder van het jongere merk gerichte ingebrekestelling een uiterste datum voor het instellen van een vordering tot nietigverklaring heeft vermeld die samenvalt met het verstrijken van de vervaltermijn van vijf opeenvolgende jaren; en dat de houder van het oudere merk op het tijdstip van verzending van die ingebrekestelling reeds beschikte over alle noodzakelijke gegevens om aan te nemen dat het merk te kwader trouw was gedeponeerd.
IEPT20250710, HvJEU, Purefun v Doggy
De Merkenrichtlijn beoogt niet het nationale recht inzake de handelsnaam, tot welke categorie een bedrijfsnaam kan behoren, op het niveau van de Unie te harmoniseren. Bij gebreke van harmonisatie valt bescherming van de handelsnaam onder het nationale recht. De Merkenrichtlijn en het vrij verkeer van goederen verzetten zich niet tegen een nationale regeling die de houder van een bedrijfsnaam toestaat een derde te verbieden een identiek of soortgelijk teken als handelsnaam of domeinnaam te gebruiken voor waren of diensten van dezelfde of soortgelijke aard als die welke vallen onder de activiteiten waarvoor zijn bedrijfsnaam is geregistreerd, en verzetten zich er niet tegen dat het feit dat die bedrijfsnaam niet wordt gebruikt, onder bepaalde voorwaarden kan leiden tot het verval van dit uitsluitende recht en dat die houder verplicht is de aard van de onder zijn maatschappelijk doel vallende activiteiten dermate nauwkeurig te beschrijven en af te bakenen dat derden er doeltreffend over kunnen worden geïnformeerd.
IEPT20250430, HvJEU, Novel Nutriology
Adverteren met gezondheidsclaims over botanische substanties in voedingssupplementen voorlopig verboden: Gezondheidsclaims die psychologische of gedragsfuncties beschrijven mogen slechts worden gebruikt voor zover voldaan is aan de voorwaarden dat zij gebaseerd zijn op wetenschappelijk bewijs en dat zij door de consument goed begrepen worden. Gebruik van gezondheidsclaims over botanische substanties is niet toegestaan zolang de Commissie het onderzoek naar deze claims niet heeft afgerond. Het verbod schendt niet de vrijheid van ondernemerschap.
IEPT20250306, HvJEU, Nationaal Orkest van België
De exploitatierechten van uitvoerend kunstenaars van de Auteursrechtrichtlijn 2001/29 en de Verhuurrichtlijn 2006/115 verzetten zich tegen een nationale regeling waarbij de naburige rechten van onder een administratiefrechtelijk statuut aangeworven uitvoerende kunstenaars voor de prestaties die zij in het kader van hun opdracht in dienst van die werkgever verrichten, zonder hun voorafgaande toestemming bij regelgeving worden overgedragen om door die werkgever te worden geëxploiteerd. Vaste rechtspraak dat een nieuwe rechtsregel in beginsel van toepassing is vanaf de inwerkingtreding. Hoewel hij niet van toepassing is op rechtssituaties die zijn ontstaan en definitief zijn verworven onder het oude recht, is hij wel van toepassing op de toekomstige gevolgen van een onder de oude regel ontstane situatie, alsmede op nieuwe rechtssituaties. Dit ligt slechts anders, onder voorbehoud van het beginsel dat rechtshandelingen geen terugwerkende kracht hebben, wanneer de nieuwe regel gepaard gaat met bijzondere bepalingen die specifiek de voorwaarden voor de toepassing ervan in de tijd vastleggen. Begrip ‘uitvoerende kunstenaar’ in verschillende richtlijnen moet uniform worden uitgelegd, nu nergens uit blijkt dat de Uniewetgever aan dit begrip een verschillende betekenis heeft willen geven, zodat het ook uitvoerende kunstenaars omvat die onder een publiekrechtelijke aanstelling zijn aangeworven.
IEPT20250225, HvJEU, BSH Hausgeräte v Electrolux
Grensoverschrijdende bevoegdheid Zweedse rechter over Zweedse gedaagde inzake inbreuk op de nationale delen van een Europees (bundel) octrooi in Duitsland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Italië, Nederland, Oostenrijk, Zweden, Verenigd Koninkrijk en Turkije. Artikel 4 en artikel 24(4) Brussel I bis Verordening. Artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening dient aldus te worden uitgelegd dat een gerecht van de lidstaat van de woonplaats van de verweerder waarbij krachtens artikel 4, lid 1, van die verordening een vordering wegens inbreuk op een in een andere lidstaat verleend octrooi aanhangig is gemaakt, bevoegd blijft om kennis te nemen van die vordering wanneer de verweerder in het kader van die vordering bij wege van exceptie de geldigheid van dat octrooi ter discussie stelt, ofschoon de bevoegdheid om uitspraak te doen over die geldigheid uitsluitend bij de gerechten van die andere lidstaat berust. Grensoverschrijdende bevoegdheid onder artikel 4 Brussel I bis Verordening. Gerechten van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft, zijn krachtens de algemene regel van artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening in beginsel bevoegd om kennis te nemen van een vordering wegens octrooi-inbreuk die tegen die verweerder is ingesteld door de houder van een in een derde land verleend of geldig verklaard octrooi die woonplaats heeft in een andere lidstaat. Bovendien strekt de bevoegdheid van het aldus aangezochte gerecht van de lidstaat zich op grond van die algemene regel in beginsel uit tot de kwestie van de geldigheid van dat octrooi die bij wege van exceptie wordt opgeworpen in het kader van die vordering wegens octrooi-inbreuk. Artikel 24(4) Brusel I Bis verordening is niet toepassing op een gerecht van een derde land en kent aan een dergelijk gerecht dus geen – al dan niet exclusieve – bevoegdheid toe om de geldigheid van een in dat land verleend of geldig verklaard octrooi te beoordelen.
IEPT20250225, HvJEU, Alphabet v AGCM
Verzekering van interoperabiliteit met platform. De weigering door een onderneming met een machtspositie die een digitaal platform heeft ontwikkeld, om op verzoek van een derde onderneming de interoperabiliteit te verzekeren van dat platform met een door die derde onderneming ontwikkelde app, kan misbruik van machtspositie opleveren wanneer dat platform door de onderneming met een machtspositie niet uitsluitend ten behoeve van haar eigen activiteit werd ontwikkeld, ook al is dat platform niet onontbeerlijk voor de commerciële exploitatie van die app op een downstreammarkt maar kan het die app voor de consument wel aantrekkelijker maken.