Considerans
Print this pageHET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 118, eerste alinea,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),
Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),
Overwegende hetgeen volgt:
(1)
Bij Verordening (EG) nr. 6/2002 (3) werd een voor de Europese Gemeenschap specifieke regeling voor modelbescherming in het leven geroepen, die sindsdien heeft voorzien in de bescherming van modellen op het niveau van de Unie, naast de bescherming van modellen op nationaal niveau in de lidstaten, in overeenstemming met hun op grond van Richtlijn 98/71/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) geharmoniseerde nationale modelbeschermingswetgeving.
(2)
In overeenstemming met haar mededeling van 19 mei 2015 getiteld “Betere regelgeving voor betere resultaten — Een EU-agenda” en haar toezegging om de beleidsmaatregelen van de Unie regelmatig te herzien, heeft de Commissie de werking van de modelbeschermingsstelsels in de Unie uitgebreid geëvalueerd, waarbij zij een uitvoerige economische en juridische beoordeling heeft uitgevoerd, ondersteund door een reeks studies.
(3)
In zijn conclusies van 10 november 2020 over het beleid inzake intellectuele eigendom en de herziening van het stelsel van tekeningen en modellen van nijverheid in de Unie heeft de Raad de Commissie gevraagd voorstellen in te dienen voor de herziening van Verordening (EG) nr. 6/2002 en Richtlijn 98/71/EG. Er is om herziening verzocht om de beschermingsstelsels met betrekking tot tekeningen en modellen van nijverheid in de Unie te moderniseren en modelbescherming aantrekkelijker te maken voor individuele ontwerpers en bedrijven, met name kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s).
(4)
Sinds de oprichting van het Gemeenschapsmodellenstelsel, blijkt uit de opgedane ervaring dat individuele ontwerpers en ondernemingen van binnen de Unie en uit derde landen het stelsel hebben omarmd en dat het een succesvolle en werkbare aanvulling op of een alternatief voor de bescherming van modellen op het nationale niveau van de lidstaten is geworden.
(5)
In zijn resolutie van 11 november 2021 over een actieplan inzake intellectuele eigendom om het herstel en de veerkracht van de EU te ondersteunen (5) wijst het Europees Parlement erop dat het huidige modelbeschermingsstelsel van de Unie 20 jaar geleden is opgezet en moet worden herzien, en benadrukt het dat het moet worden geactualiseerd om meer rechtszekerheid te waarborgen en aldus gevolg te geven aan de oproep van de Raad om voorstellen in te dienen voor herziening van Verordening (EG) nr. 6/2002 en Richtlijn 98/71/EG.
(6)
Nationale modelbeschermingsstelsels blijven niettemin noodzakelijk voor individuele ontwerpers en ondernemingen die geen bescherming van hun modellen op Unieniveau verlangen of niet in staat zijn Uniebrede bescherming te verkrijgen ook al ondervinden zij geen belemmeringen bij het verkrijgen van nationale bescherming. Het dient aan degenen die modelbescherming verlangen, te worden overgelaten welk soort bescherming zij wensen: een nationaal modelrecht in één of meer lidstaten, een Uniemodel of beide.
(7)
Hoewel haar evaluatie van de modelbeschermingswetgeving van de Unie heeft bevestigd dat de wetgeving nog overwegend geschikt is voor het beoogde doel, heeft de Commissie in haar mededeling van 25 november 2020 getiteld “Het innovatiepotentieel van de EU optimaal benutten. Een actieplan inzake intellectuele eigendom om het herstel en de veerkracht van de EU te ondersteunen” aangekondigd dat zij, na de succesvolle hervorming van de merkenwetgeving van de Unie, de modelbeschermingswetgeving van de Unie zal herzien om het stelsel te vereenvoudigen en toegankelijker en efficiënter te maken, en om het regelgevingskader te actualiseren in het licht van ontwikkelingen in verband met nieuwe technologieën op de markt.
(8)
Naast de verbeteringen en wijzigingen in het Uniemodellenstelsel moeten de nationale wetten en praktijken op het gebied van modellen verder worden geharmoniseerd en in overeenstemming worden gebracht met het Uniemodellenstelsel zodat voor zover mogelijk in de hele Unie gelijke voorwaarden worden gecreëerd voor de inschrijving en de bescherming van modellen. Daarnaast zijn er verdere inspanningen nodig van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO, het “Bureau”), de centrale bureaus voor de industriële eigendom van de lidstaten en het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom om convergentie van praktijken en instrumenten op het gebied van modellen te bevorderen in het kader van de samenwerking die is vastgelegd in Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad (6).
(9)
De in Verordening (EG) nr. 6/2002 gebruikte termen moeten worden aangepast aan de wijzigingen die in de oprichtingsverdragen zijn aangebracht door het Verdrag van Lissabon. Dit houdt in dat de term “Gemeenschapsmodel” moet worden vervangen door “Uniemodel”. Bovendien moeten de in Verordening (EG) nr. 6/2002 gebruikte termen worden afgestemd op die van Verordening (EU) 2017/1001. Dit houdt met name in dat de naam “Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)” moet worden vervangen door “Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie”.
(10)
Als aanvulling op het beheer van het Uniemodellenstelsel is het van essentieel belang dat het Bureau dit stelsel adequaat promoot om het bewustzijn te vergroten en het inzicht in de mogelijkheden, de waarde en het nut van het verkrijgen en gebruiken van modelbescherming op Unieniveau te verbeteren.
(11)
Sinds de vaststelling van het Gemeenschapsmodellenstelsel heeft de opkomst van informatietechnologie geleid tot nieuwe modellen die niet zijn belichaamd in fysieke voortbrengselen. Dat vraagt om een verruiming van de definitie van voortbrengselen die in aanmerking komen voor modelbescherming zodat deze op ondubbelzinnige wijze de voortbrengselen omvat die belichaamd zijn in een fysiek voorwerp, of die gevisualiseerd zijn in een grafische voorstelling, of die blijken uit de ruimtelijke ordening van voorwerpen die zijn bedoeld om een binnen- of buitenomgeving te vormen. In dit verband moet worden erkend dat animatie, zoals beweging of transitie, van de kenmerken van een voortbrengsel, kan bijdragen aan de verschijningsvorm van modellen, met name van modellen die niet zijn belichaamd in een fysiek voorwerp.
(12)
Teneinde de rechtszekerheid te waarborgen, moet worden verduidelijkt dat aan de houder van het recht bescherming wordt verleend, door inschrijving van een Uniemodel, voor die vormkenmerken van een voortbrengsel of een deel ervan, die in de aanvraag om inschrijving van een dergelijk model zichtbaar zijn weergegeven en door middel van publicatie voor het publiek toegankelijk zijn gemaakt.
(13)
De vormkenmerken van een voortbrengsel moeten weliswaar zichtbaar worden getoond in een aanvraag om inschrijving van een Uniemodel, maar deze hoeven niet zichtbaar te zijn op een bepaald moment of in een bepaalde situatie om modelbescherming te genieten. Er moet een uitzondering op dat principe worden gemaakt voor de modelbescherming van onderdelen van een samengesteld voortbrengsel die tijdens het normale gebruik van dat voortbrengsel zichtbaar moeten blijven.
(14)
Gezien de toenemende toepassing van 3D-printtechnologieën op diverse gebieden van de industrie, onder meer met behulp van artificiële intelligentie, en gezien de daaruit voortvloeiende uitdagingen voor houders van modelrechten om het onrechtmatig kopiëren van hun beschermde modellen op doeltreffende wijze te voorkomen, is het passend te bepalen dat het creëren, downloaden, kopiëren en beschikbaar stellen van dragers waarop of software waarin het model is vastgelegd, met als doel een voortbrengsel te reproduceren dat inbreuk maakt op het beschermde model, een vorm van gebruik van het model is waarvoor toestemming van de houder van het recht is vereist.
(15)
Om modelbescherming te waarborgen en namaak doeltreffend te bestrijden, en op een wijze die strookt met de internationale verplichtingen van de Unie in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), in het bijzonder artikel V van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (GATT 1947) over vrijheid van doorvoer, en, wat generieke geneesmiddelen betreft, de door de Ministeriële Conferentie van de WTO op 14 november 2001 aangenomen “Verklaring van Doha over de Trips-overeenkomst en de volksgezondheid”, moet de houder van een ingeschreven Uniemodel kunnen verhinderen dat derden in het economische verkeer voortbrengselen uit derde landen binnenbrengen in de Unie zonder dat deze daar in het vrije verkeer worden gebracht, wanneer, zonder de toestemming van de houder van het recht, in deze voortbrengselen een model is verwerkt dat gelijk of in wezen gelijk is aan het ingeschreven Uniemodel of wanneer een model wordt gebruikt voor voortbrengselen die gelijk of in wezen gelijk zijn aan het ingeschreven Uniemodel.
(16)
Daartoe moet het voor houders van ingeschreven Uniemodellen mogelijk zijn het binnenbrengen van inbreukmakende voortbrengselen en de plaatsing van dergelijke voortbrengselen in alle douanesituaties te verhinderen, ook wanneer deze voortbrengselen niet voor de markt van de Unie zijn bestemd. Bij douanecontroles moeten de douaneautoriteiten, ook op verzoek van de houders van rechten, gebruikmaken van de bij Verordening (EU) nr. 608/2013 van het Europees Parlement en de Raad (7) vastgestelde bevoegdheden en procedures. In het bijzonder moeten de douaneautoriteiten de nodige controles uitvoeren op basis van risicoanalysecriteria.
(17)
Om de noodzaak van doeltreffende handhaving van modelrechten te verenigen met het voorkomen van hinder voor de vrije handel in legitieme voortbrengselen, moet het recht van de houder van het ingeschreven Uniemodel vervallen wanneer de aangever of de houder van de voortbrengselen tijdens een procedure bij de rechtbank voor het model van de Europese Unie (“rechtbank voor het Uniemodel”), die bevoegd is tot het nemen van een beslissing over de vraag of er inbreuk op het Uniemodel is gemaakt, het bewijs kan leveren dat de houder van het ingeschreven Uniemodel niet gerechtigd is het op de markt brengen van de voortbrengselen in het land van eindbestemming te verbieden.
(18)
Op de door een ingeschreven Uniemodel verleende exclusieve rechten moet een passende reeks beperkingen van toepassing zijn. Afgezien van handelingen die in de particuliere sfeer en voor niet-commerciële doeleinden worden verricht en handelingen die voor experimentele doeleinden worden verricht, moet het toegestane gebruik reproductiehandelingen ter illustratie of voor onderricht omvatten, verwijzend gebruik in de context van vergelijkende reclame, en gebruik met het oog op commentaar, kritiek of parodie, mits die handelingen verenigbaar zijn met eerlijke handelspraktijken, en niet onnodig afbreuk doen aan de normale exploitatie van het model. Gebruik van een ingeschreven Uniemodel door derden met het oog op artistieke expressie moet als billijk worden beschouwd wanneer dit gebruik strookt met de eerlijke gebruiken in nijverheid en handel. Voorts moeten de regels inzake Uniemodellen worden toegepast op een wijze die de volledige inachtneming van de fundamentele rechten en vrijheden, in het bijzonder de vrijheid van meningsuiting, waarborgt.
(19)
Richtlijn (EU) 2024/2823 van het Europees Parlement en de Raad (8) strekt tot harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten wat betreft het gebruik van beschermde modellen voor het toestaan van het repareren van een samengesteld voortbrengsel om het de oorspronkelijke uiterlijke kenmerken terug te geven, wanneer het model wordt toegepast op of is verwerkt in een voortbrengsel dat een onderdeel vormt van een samengesteld voortbrengsel waarvan de uiterlijke kenmerken bepalend zijn voor het beschermde model van het onderdeel. Dienovereenkomstig moet de thans in Verordening (EG) nr. 6/2002 vervatte overgangsbepaling inzake reparaties een permanente bepaling worden. Aangezien het beoogde effect van die reparatieclausule is ervoor te zorgen dat de rechten op ingeschreven en niet-ingeschreven Uniemodellen niet afgedwongen kunnen worden indien het model van het onderdeel van een samengesteld voortbrengsel wordt gebruikt voor de reparatie van een samengesteld voortbrengsel om het de oorspronkelijke uiterlijke kenmerken terug te geven, moet de reparatieclausule een van de verweermiddelen tegen inbreuken op de rechten inzake Uniemodellen zijn op grond van Verordening (EG) nr. 6/2002. Ter wille van de samenhang met de in Richtlijn (EU) 2024/2823 opgenomen reparatieclausule en om ervoor te zorgen dat de reikwijdte van de modelbescherming slechts wordt beperkt om te voorkomen dat de houders van modelrechten productmonopolies krijgen, moet de toepassing van de reparatieclausule van Verordening (EG) nr. 6/2002 uitdrukkelijk worden beperkt tot de onderdelen van een samengesteld voortbrengsel waarvan de uiterlijke kenmerken bepalend zijn voor het beschermde model. Om te waarborgen dat consumenten niet worden misleid en met kennis van zaken een beslissing kunnen nemen over concurrerende voortbrengsels die voor de reparatie kunnen worden gebruikt, moet bovendien uitdrukkelijk worden bepaald dat de reparatieclausule niet kan worden ingeroepen door fabrikanten of verkopers van een onderdeel die consumenten niet naar behoren hebben geïnformeerd over de commerciële oorsprong, en de identiteit van de fabrikant, van het voortbrengsel dat voor reparatie van het samengestelde voortbrengsel moet worden gebruikt. Die nadere gegevens moeten worden verstrekt door middel van een duidelijke en zichtbare opgave op het voortbrengsel of, indien dat niet mogelijk is, op de verpakking ervan of in een bij het voortbrengsel gevoegd document, en moeten ten minste het handelsmerk waaronder het voortbrengsel in de handel wordt gebracht en de naam van de fabrikant omvatten.
(20)
Met het oog op het behoud van de doeltreffendheid van de met deze verordening beoogde liberalisering van de aftermarket voor vervangingsonderdelen, en in overeenstemming met de rechtspraak (9) van het Hof van Justitie van de Europese Unie, rust op de fabrikant of verkoper van een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel, om in aanmerking te komen voor de vrijstelling van modelbescherming op grond van de reparatieclausule, een zorgvuldigheidsplicht om er met passende, met name contractuele, middelen voor te zorgen dat downstreamgebruikers de betrokken onderdelen niet voor andere doeleinden dan reparatie gebruiken om het samengestelde voortbrengsel zijn oorspronkelijke uiterlijke kenmerken terug te geven. Dit mag echter niet van de fabrikant of verkoper van een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel vereisen dat deze objectief en in alle omstandigheden garandeert dat de onderdelen die deze vervaardigt of verkoopt, door eindgebruikers uiteindelijk daadwerkelijk uitsluitend voor reparatie worden gebruikt om dat samengestelde voortbrengsel zijn oorspronkelijke uiterlijke kenmerken terug te geven.
(21)
Om het op de markt brengen van voortbrengselen waarop modelbescherming van toepassing is te vergemakkelijken, met name voor kmo’s en individuele ontwerpers, en meer bekendheid te geven aan de regelingen voor de inschrijving van modellen die op Unie- en nationaal niveau bestaan, moet er een algemeen aanvaarde aanduiding, bestaande uit het symbool
Image 1
, beschikbaar zijn voor gebruik door houders van modelrechten en anderen met hun toestemming.
(22)
Gezien het geringe aantal aanvragen om ingeschreven Uniemodellen bij de centrale bureaus voor industriële eigendom van de lidstaten en het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom, en om het stelsel voor aanvragen om ingeschreven Uniemodellen in overeenstemming met het stelsel van Verordening (EU) 2017/1001 te brengen, moeten aanvragen om een ingeschreven Uniemodel voortaan alleen bij het Bureau kunnen worden ingediend. Om het verstrekken van informatie en administratieve richtsnoeren over de procedure voor de inschrijving van Uniemodellen aan aanvragers te vergemakkelijken, moeten het Bureau en de centrale bureaus voor de industriële eigendom van de lidstaten en het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom daartoe met elkaar samenwerken binnen het samenwerkingskader dat is vastgelegd in Verordening (EU) 2017/1001.
(23)
Uit de technologische vooruitgang en de ervaring die is opgedaan in het kader van het huidige stelsel van inschrijving van Uniemodellen is gebleken dat een aantal aspecten van de procedure moet worden verbeterd. Er dient dan ook een aantal maatregelen te worden genomen om de procedures, waar passend, te actualiseren, te vereenvoudigen en te versnellen en de rechtszekerheid en voorspelbaarheid waar nodig te verbeteren.
(24)
Hiertoe is het van het grootste belang te zorgen voor passende middelen om een duidelijke en nauwkeurige afbeelding van alle modellen mogelijk te maken, die kan worden aangepast aan de technische vooruitgang op het gebied van de visualisatie van modellen en aan de behoeften van het bedrijfsleven in de Unie. Om ervoor te zorgen dat dezelfde grafische voorstelling kan worden gebruikt voor modelaanvragen in een of meer lidstaten en voor aanvragen voor inschrijving van Uniemodellen, moet worden bepaald dat het Bureau, de centrale bureaus voor industriële eigendom van de lidstaten en het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom moeten samenwerken om gemeenschappelijke normen vast te stellen voor de vormvereisten waaraan de afbeelding moet voldoen.
(25)
Met het oog op meer efficiëntie is het ook passend het indienen van meervoudige aanvragen voor inschrijving van Uniemodellen te vergemakkelijken door aanvragers de mogelijkheid te bieden modellen in één aanvraag te combineren zonder aan de voorwaarde te hoeven voldoen dat de voortbrengselen waarin de modellen zullen worden verwerkt of waarop deze zullen worden toegepast, allemaal behoren tot dezelfde klasse van de internationale classificatie voor tekeningen en modellen van nijverheid (“de classificatie van Locarno”), die is ingesteld bij de Overeenkomst van Locarno (1968). Niettemin moet er een maximale grenswaarde worden ingesteld om eventueel misbruik van ingediende meervoudige aanvragen te voorkomen.
(26)
Met het oog op de efficiëntie en om de procedure te stroomlijnen, mogen kennisgevingen en mededelingen uitsluitend langs elektronische weg verlopen. Niettemin is het belangrijk dat het Bureau passende technische richtsnoeren en bijstand biedt, zowel online als offline, om het gebruik van elektronische middelen te vergemakkelijken en een digitale kloof te voorkomen.
(27)
Gezien het essentiële belang van de bedragen van de aan het Bureau te betalen taksen voor de werking van het modelbeschermingsstelsel van de Unie en het complementaire karakter ten aanzien van de nationale modellenstelsels, en om de wetgeving van Verordening (EG) nr. 6/2002 op één lijn te brengen met Verordening (EU) 2017/1001, is het passend deze bedragen rechtstreeks in Verordening (EG) nr. 6/2002 vast te stellen, in de vorm van een bijlage. De bedragen van de taksen moeten zodanig worden vastgesteld dat met de daaruit voortvloeiende inkomsten het begrotingsevenwicht van het Bureau in beginsel kan worden gehandhaafd en dat het Uniemodellenstelsel en de nationale modellenstelsels naast elkaar bestaan en elkaar aanvullen, rekening houdend met, onder meer, de omvang van de markt waarop het Uniemodel betrekking heeft en de behoeften van kmo’s.
(28)
Verordening (EG) nr. 6/2002 verleent de Commissie bevoegdheden om uitvoeringsregels voor die verordening vast te stellen. Ten gevolge van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon moeten de op grond van Verordening (EG) nr. 6/2002 aan de Commissie verleende bevoegdheden worden aangepast aan de artikelen 290 en 291 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
(29)
Teneinde ervoor te zorgen dat het Bureau aanvragen voor Uniemodellen met gebruikmaking van transparante, degelijke, eerlijke en billijke procedures effectief, efficiënt en snel onderzoekt en inschrijft, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU gedelegeerde handelingen vast te stellen om Verordening (EG) nr. 6/2002 aan te vullen met een specificatie van de procedure voor het wijzigen van een aanvraag.
(30)
Teneinde ervoor te zorgen dat een ingeschreven Uniemodel met gebruikmaking van een transparante, degelijke, eerlijke en billijke procedure op effectieve en efficiënte wijze nietig kan worden verklaard, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU gedelegeerde handelingen vast te stellen om Verordening (EG) nr. 6/2002 aan te vullen met een specificatie van de procedures voor het nietig verklaren van een aanvraag.
(31)
Teneinde een effectieve, efficiënte en volledige toetsing van beslissingen van het Bureau door de kamers van beroep mogelijk te maken met gebruikmaking van een transparante, degelijke, eerlijke en billijke procedure, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU gedelegeerde handelingen vast te stellen om Verordening (EG) nr. 6/2002 aan te vullen met een specificatie van de beroepsprocedure indien er voor de procedure met betrekking tot Uniemodellen moet worden afgeweken van de bepalingen van de op grond van artikel 73 van Verordening (EU) 2017/1001 vastgestelde gedelegeerde handelingen.
(32)
Teneinde een vlotte, effectieve en efficiënte werking van het Uniemodellenstelsel te waarborgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU gedelegeerde handelingen vast te stellen om Verordening (EG) nr. 6/2002 aan te vullen met een specificatie van de voorschriften inzake de mondelinge procedure en van de nadere regels inzake bewijsvoering, de nadere regels inzake kennisgeving, de communicatiemiddelen en de formulieren die door de partijen in de procedure moeten worden gebruikt, de regels inzake de berekening en de duur van de termijnen, de procedures voor het herroepen van een beslissing of voor het doorhalen van een vermelding in het Uniemodellenregister, de nadere regels inzake de hervatting van de procedure, en de regels inzake de wijze van vertegenwoordiging voor het Bureau.
(33)
Teneinde een effectieve en efficiënte organisatie van de kamers van beroep te waarborgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU gedelegeerde handelingen vast te stellen om Verordening (EG) nr. 6/2002 aan te vullen met een specificatie van de organisatie van de kamers van beroep, indien er voor de procedure met betrekking tot Uniemodellen moet worden afgeweken van de op grond van artikel 168 van Verordening (EU) 2017/1001 vastgestelde gedelegeerde handelingen.
(34)
Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (10). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
(35)
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 6/2002, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend tot bepaling van de bijzonderheden inzake aanvragen, verzoeken, certificaten, beroepen, regelgeving, kennisgevingen en ieder ander document waarvoor de in Verordening (EG) nr. 6/2002 bepaalde procedurevereisten gelden, tot bepaling van het maximumtarief voor vergoeding van de werkelijk gemaakte, noodzakelijke procedurekosten, tot bepaling van de bijzonderheden inzake publicaties in het Uniemodellenblad en het Publicatieblad van het Bureau, de nadere regels inzake de uitwisseling van informatie tussen het Bureau en de nationale autoriteiten, inzake de vertaling van bewijsstukken in schriftelijke procedures, en inzake de precieze soorten beslissingen die door één enkel lid van de nietigheidsafdeling worden genomen. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (11).
(36)
Gezien de gevorderde harmonisatie van het auteursrecht in de Unie is het passend het beginsel dat de bescherming uit hoofde van Verordening (EG) nr. 6/2002 en die uit hoofde van het auteursrecht kunnen worden gecumuleerd aan te passen, door ervoor te zorgen dat modellen die worden beschermd door rechten inzake Uniemodellen als auteursrechtelijk beschermde werken worden beschermd, mits aan de eisen van het auteursrecht is voldaan.
(37)
Verordening (EG) nr. 6/2002 moet bijgevolg dienovereenkomstig worden gewijzigd en Verordening (EG) nr. 2246/2002 van de Commissie (12) moet worden ingetrokken.
(38)
Verordening (EG) nr. 2245/2002 van de Commissie (13) moet door de Commissie worden gewijzigd om deze in overeenstemming te brengen met de bij onderhavige verordening in Verordening (EG) nr. 6/2002 aangebrachte wijzigingen met betrekking tot de te gebruiken termen na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon en de in Verordening (EU) 2017/1001 gebruikte termen, de verwijzing naar de regels wat betreft de aan het Bureau te betalen taksen, de duur van de termijnen en de vertegenwoordiging voor het Bureau, alsook met de opneming van een aantal regels die oorspronkelijk in Verordening (EG) nr. 2245/2002 en in Verordening (EG) nr. 6/2002 waren opgenomen. De intrekking van de bevoegdheidsdelegatie die als basis diende voor de vaststelling en herziening van Verordening (EG) nr. 2245/2002 mag geen afbreuk doen aan de handhaving van die verordening totdat die is ingetrokken.
(39)
Daar de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege het autonome karakter van het Uniemodellenstelsel dat losstaat van de nationale stelsels, beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.
(40)
De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is overeenkomstig artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (14) geraadpleegd,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: