A-G HvJEU: Gerecht mocht oordelen dat EUIPO ambtshalve bewijs inzake nationaal recht moest onderzoeken

Print this page 06-12-2017
B915208

Zaak C-478/16 P. EUIPO v Group OOD. Conclusie A-G Campos Sánchez-Bordana

 

Merkenrecht. Hogere voorziening tegen de uitspraak van het Gerecht EU van 29 juni 2016. Group OOD had oppositie ingesteld tegen de aanvraag voor een Uniemerk (zie links) op grond van een overeenstemmend niet-ingeschreven merk met uitsluitend nationale betekenis, dat voorrang zou hebben (afbeelding rechts). De instanties van het EUIPO wezen de vordering van Group OOD af, omdat onvoldoende bewijzen zouden zijn overgelegd in verband met het nationale recht dat van toepassing was op het niet-ingeschreven merk of die bewijzen niet tijdig waren overgelegd. Het Gerecht vernietigde de eindbeslissing van de kamer van beroep op grond dat zij geen gebruik had gemaakt van de beoordelingsbevoegdheid waarover zij beschikte om de inhoud en de draagwijdte van het aangevoerde recht ambtshalve te onderzoeken.

 

A-G Campos Sánchez-Bordana geeft het HvJEU in overweging de hogere voorziening af te wijzen. De A-G zet in deze conclusie op een rij hoe het zit met het ambtshalve onderzoek door de instanties van het EUIPO. In citaten:

 

"46. De rechtspraak van het Hof op dit gebied kan ambivalent worden genoemd. Enerzijds benadrukt zij de verplichting van de verzoekende partij om bewijs aan te dragen van het gebruik of het bestaan en de geldigheid van een merk alsook van de omvang van de daaraan verbonden bescherming.(25) Anderzijds onderstreept die rechtspraak de verplichting van het EUIPO om de voorwaarden voor toepassing en de draagwijdte van de aangevoerde bepalingen van nationaal recht ambtshalve te onderzoeken.(26)

 

47. Naar mijn mening is de laatste van de twee genoemde benaderingen geschikter om de inhoud te bewijzen van het nationale recht waardoor een niet-ingeschreven teken wordt beschermd. […]

 

48. De instanties van het EUIPO(29) moeten er bijgevolg naar streven het bewijs van het nationale recht te vervolledigen, zodat het dossier betreffende de oppositieprocedure zo gedetailleerd mogelijk is, met het oog op een mogelijke aanvechting van de beslissing in de toekomst. Op die wijze wordt het Gerecht bovendien in staat gesteld om overeenkomstig artikel 65, lid 2, van verordening nr. 207/2009 zijn (volle) rechtsmacht tot uitlegging van het nationale recht uit te oefenen.(30)

 

49. Die verplichting verandert niets aan de op de opposant rustende bewijslast. Het EUIPO dient ambtshalve een onderzoek uit te voeren wanneer het beschikt over informatie over het nationale recht in de vorm van beweringen over de inhoud ervan, in de vorm van in het dossier opgenomen stukken waarvan wordt gesteld dat het bewijskrachtige documenten zijn(31), of nog in de vorm van een gewoon begin van bewijs.(32)

 

50. Of die informatie voldoende is om de uitvoering uit te lokken van de verplichting tot het ambtshalve onderzoeken van de nationale wetgeving, hangt af van de concrete omstandigheden. Een van die omstandigheden is precies dat de informatie over het nationale recht tardief in de procedure is meegedeeld in de zin van artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009. Een andere omstandigheid kan erin bestaan dat beide partijen zowel de taal als het in geding zijnde nationale recht kennen of zouden moeten kennen, aangezien zij dezelfde nationaliteit hebben en, vooral, omdat het geding aanvankelijk tot die lidstaat beperkt was.

 

75. Al met al ben ik van mening dat er voldoende redenen waren om het bewijs van de drie voor de kamer van beroep aangevoerde bepalingen van Bulgaars recht te beschouwen als complementair aan de andere bewijzen, die aan de oppositieafdeling waren overgelegd. Bijgevolg heeft het Gerecht in het bestreden arrest geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting aangaande regel 50 van de uitvoeringsverordening. Integendeel, het kon op goede gronden vaststellen dat de verwijzingen naar het Bulgaarse recht voor de kamer van beroep aanvullend waren en niet nieuw.(55)

 

76. Derhalve heeft het Gerecht evenmin blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar het oordeelt dat: a) in deze zaak de „beoordelingsbevoegdheid van de kamer van beroep inzake de [...] mogelijkheid om rekening te houden met de niet tijdig aangevoerde feiten en [bewijzen]” niet op restrictieve wijze mocht worden uitgeoefend, welke vaststelling het EUIPO in hogere voorziening niet heeft aangevochten(56), en b) de kamer van beroep „ten onrechte de beoordelingsbevoegdheid waarover zij nochtans beschikte, niet [heeft] uitgeoefend, en haar weigering om op grond daarvan rekening te houden met de voor haar overgelegde verwijzingen naar het Bulgaarse recht, niet [heeft] gerechtvaardigd. Hierdoor heeft de kamer van beroep artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009 en regel 50, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 2868/95 geschonden”.(57)

 

[…]

 

92. Bijgevolg heeft het Gerecht in het bestreden arrest mijns inziens geen inbreuk gemaakt op artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009, gelezen in samenhang met regel 19, lid 2, van de uitvoeringsverordening waar het, met name in de punten 69, 70 en 81, vaststelt dat er geen vormvoorwaarden aan het bewijs van het nationale recht worden gesteld."

 

Lees de conclusie hier.