A-G HvJEU: ook voorzieningenrechters buiten de rechtbank Den Haag zijn bevoegd om voorlopige en beschermende maatregelen te bevelen inzake modelrecht

Print this page 19-09-2019
B915844

Conclusie A-G HvJEU na prejudiciële vragen uit (IEPT20181102, HR, Spin Master v High5).

 

In  artikel 81 van de Gemeenschapsmodellenverordening is bepaald dat de lidstaten op hun grondgebied een of meer “rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel” aanwijzen die exclusief bevoegd zijn om zich uit te spreken over bepaalde rechtsvorderingen met betrekking tot inbreuken op en de geldigheid van Gemeenschapsmodellen. Ter uitvoering van die opdracht heeft Nederland die exclusieve bevoegdheid toegewezen aan de rechtbank Den Haag.  In artikel 90 van de Gemeenschapsmodellenverordening staat dat voorlopige en beschermende maatregelen kunnen worden gevraagd aan de rechterlijke instanties van een lidstaat, met inbegrip van de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel.

 

In de Spin Master- zaak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam zich bevoegd verklaard inzake een vordering tot vaststelling van voorlopige en beschermende maatregelen wegens inbreuk een Gemeenschapsmodel voor speelballetjes. De Procureur-generaal van de Hoge Raad heeft er vervolgens op gewezen dat binnen de Nederlandse rechtspraak verschillend wordt geoordeeld over de vraag of voorzieningenrechters van andere rechtbanken dan de rechtbank Den Haag bevoegd zijn om in dergelijke geschillen voorlopige en beschermende maatregelen te bevelen, en heeft tegen het vonnis van de voorzieningenrechter cassatie “in het belang der wet” ingesteld.

 

Binnen deze context heeft de Hoge Raad het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de vraag of artikel 90 lid 1 van de Gemeenschapsmodellenverordening aldus moet worden uitgelegd dat het een dwingende toekenning inhoudt aan alle daar genoemde rechterlijke instanties van een lidstaat om voorlopige en beschermende maatregelen te mogen bevelen, of dat dit artikel de lidstaten – geheel of gedeeltelijk – vrijlaat om de bevoegdheid dergelijke maatregelen te bevelen, bij uitsluiting op te dragen aan de rechterlijke instanties die overeenkomstig artikel 80 lid 1 zijn aangewezen als rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel.

 

De A-G geeft het Hof in overweging om de Hoge Raad het volgende antwoord te geven:

 

“Artikel 90, lid 1, van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen moet aldus worden uitgelegd dat de nationale rechtbanken die bevoegd zijn voor nationale modellen, voorlopige en beschermende maatregelen kunnen bevelen in procedures ter zake van inbreuk op of geldigheid van Gemeenschapsmodellen waarin de bevoegdheid om uitspraak ten gronde te doen uitsluitend toekomt aan de rechterlijke instanties die overeenkomstig artikel 80, lid 1, van die verordening zijn aangewezen.”

 

Lees de volledige conclusie hier