A-G Sharpston over beoordelingsbevoegdheid nietigheidsafdeling EUIPO na terugwijzing door kamer van beroep

27-11-2017 Print this page
B915196

Zaak C418/16, Mobile.de v EUIPO. Conclusie A-G Sharpston.  

 

Merkenrecht. In de onderhavige procedure stelt mobile.de hogere voorziening in tegen een arrest van het Gerecht van 12 mei 2017, in welke zaak mobile.de was opgekomen tegen twee beslissingen van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie. Het Gerecht heeft het beroep van mobile.de in zijn geheel verworpen. Tegen dat arrest voert mobile.de nu zes middelen aan. Het Hof heeft verzocht om een conclusie in verband met enkel het zesde middel. Het middel betreft de uitleg van artikel 64 en artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009 in het licht van de uitoefening van die beoordelingsbevoegdheid in een situatie waarin een kamer van beroep een zaak naar de desbetreffende afdeling van het EUIPO terugwijst.

 

Volgens A-G Sharpston zou het onverenigbaar zijn met de opzet van de wetgeving om artikel 64, lid 2, en artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009 aldus op te vatten dat afdelingen van het Bureau rekening zouden mogen houden met aanvullend bewijs in zaken waarin de kamer van beroep feiten heeft vastgesteld en een definitieve uitspraak heeft gedaan. De A-G overweegt hiertoe als volgt:

 

“44. In het licht van het onderzoek van een beroep lees ik artikel 64, lid 1, als een verwijzing naar een situatie waarin de kamer van beroep haar beoordelingsbevoegdheid krachtens artikel 76, lid 2, mag uitoefenen door rekening te houden met aanvullend bewijs in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof. Indien de kamer definitieve feitelijke vaststellingen doet op basis van dat bewijs en krachtens artikel 64, lid 2, de betrokken zaak terugwijst naar de betreffende afdeling van EUIPO, is die afdeling gebonden door de uitspraak op het beroep van de kamer. Die afdeling mag dan geen beoordeling maken van aanvullend bewijs dat is overgelegd door een partij op een punt waarover in een beroep definitief uitspraak is gedaan. In de zaak van mobile.de was de uitspraak van de kamer van beroep niet vatbaar voor verdere afdoening ingevolge artikel 64, lid 2, van verordening nr. 207/2009, voor zover zij betrekking had op diensten van klasse 35 die geen „reclame voor voertuigen” of diensten van klasse 42 waren. Derhalve kon na de beslissing tot terugwijzing van de kamer van beroep geen aanvullend bewijs in verband met die onderwerpen worden aangevoerd voor de nietigheidsafdeling.

 

45. De nietigheidsafdeling moest de vraag of er voor de toepassing van artikel 8, lid 1, onder b), van deze verordening sprake was van verwarringsgevaar in verband met diensten betreffende „reclame voor voertuigen” echter onderzoeken in overeenstemming met het bepaalde in verordening nr. 207/2009 en de uitvoeringsverordening. Dat was geen kwestie die door de kamer van beroep was onderzocht en daarover was derhalve geen definitieve uitspraak gedaan. Bij dit onderzoek kan de door artikel 76, lid 2, toegekende beoordelingsbevoegdheid worden uitgeoefend. Volgens mij ziet de tekst van artikel 64, lid 2, juist op die situatie.

 

46. Ik benadruk evenwel dat het onverenigbaar zou zijn met de opzet van de wetgeving om artikel 64, lid 2, en artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009 aldus op te vatten dat afdelingen van het Bureau rekening zouden mogen houden met aanvullend bewijs in zaken waarin de kamer van beroep feiten heeft vastgesteld en een definitieve uitspraak heeft gedaan. Het zou onjuist zijn de woorden „voor zover de feiten dezelfde zijn” aldus op te vatten dat aanvullend bewijs mag worden overgelegd en de feiten derhalve niet „dezelfde” zijn in de zin van artikel 64, lid 2. Mijns inziens gaat dit verder dan hetgeen bij artikel 76, lid 2, is beoogd. Dit zou leiden tot ondermijning van titel VII van verordening nr. 207/2009 die de beroepsprocedure regelt, en tot rechtsonzekerheid van de uitspraken van de kamer van beroep in alle zaken waarin tot terugwijzing wordt besloten. Een dergelijke uitlegging zou de bij verordening nr. 207/2009 opgezette gerechtelijke structuur aantasten. Voorts zou een dergelijk standpunt onverenigbaar zijn met de praktische doelstelling van verordening nr. 207/2009, namelijk het beschermen van het Uniemerk.(29) Tot slot zou het onverenigbaar zijn met het rechtszekerheidsbeginsel.

 

47. Derhalve geef ik in overweging het zesde middel ongegrond te verklaren.”

 

Lees hier meer.