A-G Van Peursem concludeert tot verwerping cassatieberoep in Ryanair/PR Aviation

Print this page 02-07-2019
B915791

IE-Verbintenissenrecht - IPR Cassatieberoep tegen het arrest van het hof Den Haag van 23 januari 2018 (IEPT20180123). Zie ook HR 17 januari 2014 (IEPT20140117) en HvJEU van 15 januari 2015 (IEPT20150115) en HR van 11 maart 2016 (IEPT20160311). Langlopende databankzaak tussen Ryanair en PR Aviation.
Het beroep, ingesteld door Ryanair,  bestaat uit vier onderdelen. De eerste twee zijn gericht tegen rov. 79-81 waarin het hof heeft gemotiveerd waarom naar Iers recht geen sprake is van aanvaarding van de gebruiksvoorwaarden door PR Aviation en dus naar Iers recht geen sprake is van een (rechtskeuze-)overeenkomst. Het derde onderdeel komt op tegen het oordeel in rov. 18, 22 en 101 dat de grondslag onrechtmatige daad buiten de grenzen van de rechtsstrijd na verwijzing valt. Het vierde onderdeel is een louter voortbouwende klacht.
A-G van Peursem concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. Uit de conclusie:

 

“Volgens subonderdeel 2.1 is het oordeel van het hof onbegrijpelijk omdat het hof niet kenbaar is ingegaan op Ryanairs essentiële betoog dat browse-wrapping een maatschappelijk en commercieel gebruikelijke en algemeen aanvaarde manier is geworden om voorwaarden te stellen aan het gebruik van een website die informatie publiekelijk toegankelijk maakt47. Dat betoog is volgens de klacht relevant voor de invulling van het objective principle (s.t. Ryanair 3.1-3.2).

 

[…]

 

Ik zie dit niet slagen. De aangehaalde stelling kan relevant zijn voor de invulling van het objective principle. Met die stelling kan namelijk worden onderbouwd dat een redelijk persoon zal veronderstellen dat een gebruiker, zoals PR Aviation, bedacht is op een verwijzing naar voorwaarden die betrekking hebben op het toegelaten gebruik van de website. In onze zaak heeft het hof in de beoordeling tot uitgangspunt genomen dat PR Aviation wist of moest weten van deze gebruiksvoorwaarden (rov. 80). Die omstandigheid is door het hof zodoende in de beoordeling betrokken; dit levert geen passage van een essentiële stelling op – wel een andere weging dan voorgestaan door Ryanair, maar dat is niet cassabel. Dat bij de invulling van het objective principle moet worden gekeken naar “wat in de praktijk gebruikelijk is”, omdat de “reasonable man” niet in een vacuüm leeft, zoals Ryanair bij s.t. onder 3.2 aanvoert, moge zo zijn, maar maakt de door het hof gemaakte afweging volgens mij niet onbegrijpelijk. Die zou naar Nederlands recht ook in de wils-vertrouwensleer hebben gepast, valt daar met een cassatiebril op nog aan toe te voegen.

 

[…]

 

2.33 De overweging dat de gegevens op de website van Ryanair “juridisch door geen enkel recht beschermd” c.q. “juridisch onbeschermbaar” zijn, heeft het hof in rov. 79 nader uitgelegd: niet databankrechtelijk, auteursrechtelijk of anderszins beschermd. Het lijkt mij dat deze passages aldus moeten worden begrepen dat de gegevens, afgezien van de voorwaarden, niet apart (IE-rechtelijk) zijn beschermd (vgl. in dezelfde zin s.t. PR Aviation onder 3.20).

 

2.34 Het oordeel van het hof is dan goed te volgen. Aangezien de gegevens niet separaat (IE-rechtelijk) zijn beschermd en zonder verdere handelingen gratis toegankelijk waren, zal een redelijk persoon niet denken dat PR Aviation, alleen door de website te bezoeken en/of deze gegevens te verzamelen, zich wilde binden aan de gebruiksvoorwaarden die haar verbieden om die gegevens te verzamelen en te gebruiken, en ook niet aan de daarin opgenomen rechtskeuze. Zo begrepen is de redenering van het hof niet onbegrijpelijk in cassatie-technisch opzicht.

 

[…]

 

Indien deze tot verwerping strekkende conclusie wordt gevolgd, is de uitkomst dat de beperkende voorwaarden van de website van Ryanair niet als aanvaard gelden. Maar gezien werd dat dat (in een zaak met andere feiten) mogelijk wel het geval kan zijn naar Iers (of Nederlands) recht in geval van click-wrapping of zelfs onder omstandigheden bij browse-wrapping. In zo’n (ander) geval blijft dan ten gevolge van de Luxemburgse uitspraak in deze databankzaak (ECLI:EU:C:2015:10) de situatie mogelijk dat toegang tot een niet auteursrechtelijk of databankrechtelijk beschermde (niet onder de Databankenwet vallende) databank contractueel aan restricties kan worden gebonden, welke restricties bij een wel “beschermde” databank krachtens dwingend recht onmogelijk zouden zijn. Dat wringt en in zo’n situatie blijft het naar ik meen een open kwestie of dit uit oogpunten van mededingingsrecht, consumentenrecht en mogelijk grondrechten niet problematisch moet worden geoordeeld (vgl. in deze zin mijn conclusie na prejudiciële verwijzing onder 2.8 en 2.9, ECLI:NL:PHR:2015:2347, waarover in onze procedure na verwijzing ook partijdebat is gevoerd, vgl. PR Aviations memorie na cassatie en verwijzing 10.10-10.14, plta Haagse hof PR Aviation 58-63 en plta Haagse hof Ryanair 5.3-5.5). Omdat we in mijn optiek niet in die situatie zullen belanden in onze zaak, laat ik die kwestie hier verder rusten.”

 

Lees de volledige conclusie hier.