Blauwe kleurmerk van Maes is een bekend merk voor bieren in Benelux

14-11-2013 Print this page
B912608
(Met dank aan Jeroen Muyldermans, ALTIUS)

Hof van Beroep te Brussel, 21 oktober 2013, Inbev v Alken-Maes Brouwerijen.

Vervolg op B9 11466 (kort geding). Merkenrecht. Kleurmerken. Bij vonnis van 6 juli 2012 heeft de voorzitter van de rechtbank beslist dat Inbev haar JUPILER BLUE bier van de markt dient te halen wegens inbreuk op het abstracte Benelux kleurmerk blauw van Maes, die deel uitmaakt van de Heineken groep. De rechtbank oordeelde dat het Benelux-kleurmerk van Maes bekend is in België en dus ook geldig is ingeburgerd, waardoor het merk onderscheidend vermogen heeft verkregen. Ook in hoger beroep wordt merkinbreuk aangenomen, zij het op andere gronden.

Het hof oordeelt dat het BBIE, gelet op haar richtlijnen Weigering, bij de inschrijving van het kleurmerk besloten heeft dat de door Maes gedeponeerde kleur blauw zeer ongebruikelijk was voor bieren en de wezenlijke (herkomst)functie van een merk vervulde. Inbev is niet erin geslaagd te bewijzen dat het kleurmerk op het moment van depot elk onderscheidend vermogen miste voor de betrokken waren, zodat het merk terecht is ingeschreven. Nu niet aangetoond is door Inbev dat het kleurmerk elk onderscheidend vermogen miste, acht het hof de middelen en argumenten van partijen aangaande de inburgering niet pertinent.

Er is geen sprake van inbreuk op grond van artikel 2.20(1)(a) BVIE: het betreft geen identieke tekens, nu de blauwe kleur die gebruikt wordt door Inbev verschillend want duidelijker lichter is en een combinatie van verschillende tinten blauw bevat.

Merkinbreuk in de zin van artikel 2.20(1)(c) BVIE wordt wel aangenomen. Het hof besluit dat gelet op de intensiteit, de geografische spreiding (heel België) en de duur van het gebruik van het merk van Maes (sinds de jaren '60 en minstens sinds 6 april 2006), de omvang van de door Maes gedane investeringen om haar merk te promoten en de proportie van het relevante publiek dat de betrokken diensten identificeert als zijnde afkomstig van een bepaalde onderneming (60% van de Belgische bevolking), het kleurmerk van Maes een bekend merk is voor bieren. Dat het kleurmerk van Maes “uitgeburgerd” zou zijn, is derhalve ongegrond.

Dat gelet op de bekendheid van het kleurmerk, een gevaar bestaat dat het merk in de ogen van de normaal geïnformeerde en redelijk oplettende consument zijn onderscheidend vermogen voor bier zou verliezen en dat het zou verworden tot een soortkleur daarvoor indien Maes niet hiertegen zou optreden, acht het hof voldoende aannemelijk. In casu is er dus een reëel risico op verwatering van het ingeroepen merk. Inbev voert aan dat het een voorgebruiker is van de kleur blauw voor bier en dus een geldige reden heeft voor het gebruik van haar merk, maar laat echter na dit voorgebruik te bewijzen. Vanaf welke datum zij blikjes en flesjes heeft verhandeld, wordt niet aangetoond. Het gebruik van een woord dat een kleur aanduidt (het woordmerk Jupiler BLUE), kan ook niet gelijkgesteld worden met het gebruik van die kleur.

De vorderingen van Maes inzake verstrekking van informatie omtrent herkomst en distributiekanalen (artikel 2.22(4) BVIE) en terugroeping van inbreukmakende goederen (2.22(1) BVIE) worden afgewezen, aangezien bier een drank is die onderhevig is aan relatief snel verval. Vermoed kan dan ook worden dat al het bier in de inbreukmakende flessen en blikjes inmiddels vervallen is en niet in de handel te koop wordt aangeboden. De gewraakte presentatie en marketing van Inbev acht het hof een daad die strijd is met de eerlijke gebruiken in de handel en maakt inbreuk op artikel 10bis(2) UvP. Ook de omstandigheden waarin Inbev haar producten in de winkelrekken aanbiedt en promoot vormt een daad van oneerlijke mededinging en maakt inbreuk op artikel 10bis(3)(1) UvP.

Lees het arrest hier.