Conclusie A-G HvJEU over de exclusieve bevoegdheid van artikel 22, punt 4, Brussel I

B915050

Print pagina
Conclusie A-G HvJEU over de exclusieve bevoegdheid van artikel 22, punt 4, Brussel I

Zaak C-341/16: Hanssen beleggingen, prejudiciële vragen Oberlandesgericht Düsseldorf. Conclusie A-G Saugmandsgaard Øe

Zie voor de feiten en de prejudiciële vraag in deze zaak het Boek9.nl bericht van 4 augustus 2016.

Merkenrecht. Procesrecht. De A-G komt tot de conclusie dat een beroep in rechte ( dat ertoe strekt dat de persoon die formeel als houder van een merk is ingeschreven, bij de bevoegde autoriteit verklaart dat hij geen rechten heeft op dit merk en afziet van zijn inschrijving als houder van dit merk) niet onder de exclusieve bevoegdheid van artikel 22, punt 4, van de Brussel I-verordening valt.

Artikel 22, punt 4, eerste alinea, van die verordening, dat deel uitmaakt van afdeling 6, „Exclusieve bevoegdheid”, van hoofdstuk II van die verordening, bepaalt dat ongeacht de woonplaats bij uitsluiting bevoegd zijn „voor de registratie of de geldigheid van octrooien, merken, tekeningen en modellen van nijverheid, en andere soortgelijke rechten die aanleiding geven tot deponering of registratie”, de rechterlijke instanties van de lidstaat op het grondgebied waarvan de deponering of registratie is verzocht, heeft plaatsgehad of wordt geacht te hebben plaatsgehad in de zin van een besluit van de Gemeenschap of een internationale overeenkomst.

De A-G verwijst in deze conclusie naar het arrest Duijnstee (IEPT19831115, HvJEG, Duijnstee v Goderbauer). Hoewel het hier ging om octrooien is het arrest integraal toe te passen op onderhavige zaak. Het Hof heeft in dit arrest beklemtoond dat de toekenning van exclusieve bevoegdheid voor geschillen inzake de registratie of de geldigheid van octrooien aan de rechterlijke instanties van de verdragsluitende staten op het grondgebied waarvan de deponering of registratie van het octrooi is verzocht of heeft plaatsgehad, wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat deze rechterlijke instanties het best geplaatst zijn om kennis te nemen van de gevallen waarin het geschil zelf de geldigheid van het octrooi of het bestaan van de deponering of de registratie betreft. Het Hof heeft in Duijnstee echter vastgesteld dat in dit geval niet ging om de geldigheid of de inschrijving van octrooien, maar alleen over de vraag wie er nu daadwerkelijk houder was van de octrooien, hetgeen moest worden uitgemaakt op basis van de rechtsbetrekkingen die tussen de belanghebbenden hadden bestaan.

Volgens de A-G is het arrest om 4 redenen toe te passen op onderhavige zaak:

  1. Gelet op de gelijkenis tussen artikel 22, punt 4 van de Brussel I-verordening en het in dit arrest genoemde artikel 16 punt 4 van het Executiverdrag, dient overeenkomstig artikel 19 Brussel I de continuïteit in de uitlegging van deze twee bepalingen te worden gewaarborgd. Volgens vaste rechtspraak geldt de uitlegging die het Hof met betrekking tot de bepalingen van het Executieverdrag heeft gegeven, namelijk ook voor de bepalingen van de Brussel I-verordening, wanneer de bepalingen van deze twee instrumenten als gelijkwaardig kunnen worden beschouwd.

  2. Moeiteloos kan het in Duijnstee geformuleerde criterium uitgebreid worden tot het gebied van de merken. In de tekst van artikel 22 punt 4 van de Brussel I wordt al geen onderscheid gemaakt tussen merken en octrooien en bovendien zijn de begrippen geldigheid, bestaan, verval of aanspraak op een recht op voorrang uit hoofde van een eerdere deponering ook relevant op het gebied van merken.

  3. Dit geding betreft niet het merk als zodanig, maar wel degelijk de identificatie van de houder van het merk, een geschilpunt dat niet onder de inschrijving of de geldigheid van dat merk in de zin van artikel 22, punt 4, van de Brussel I-verordening valt.

  4. De met deze bepaling nagestreefde nabijheidsdoelstelling staat niet eraan in de weg dat het hoofdgeding niet onder de in die bepaling geformuleerde regel van exclusieve bevoegdheid valt. Argumenten als die welke in het hoofdgeding worden onderzocht, die met name betrekking hebben op het bestaan van ongerechtvaardigde verrijking en op de draagwijdte van overeenkomsten tussen particulieren, hebben immers niets te maken met de geldigheid of de inschrijving van het litigieuze merk. Bijgevolg zijn de rechterlijke instanties van de staat op het grondgebied waarvan het merk is ingeschreven, niet het best geplaatst om kennis te nemen van dergelijke argumenten.

Lees de conclusie hier.