Conclusie A-G over pandrecht op auteursrecht op software

Print this page 06-02-2020
B915959

IE-Goederenrecht. Het gaat in deze zaak om sprongcassatie tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 september 2018 (IEPT20180927), waarin de rechtbank Amsterdam oordeelde dat ING geen geldig pandrecht had op de door CompLions ontwikkelde software omdat de omschrijving van het pandrecht niet voldeed aan de vereiste bepaalbaarheid nu de categorie ‘goederen’ te algemeen is. In de pandakte was opgenomen dat het pandrecht is gevestigd op ‘alle huidige en toekomstige bedrijfsactiva’. Onder deze bedrijfsactiva vallen zoals omschreven in de pandakte alle tot het bedrijf van de pandgever behorende goederen.


Hiertegen heeft ING sprongcassatie ingesteld. De conclusie van A-G Rank-Berenschot strekt tot vernietiging van het vonnis en terugwijzing.

 

R.o. 49: “De onderdelen 2 en 3 slagen. De rechtbank heeft haar oordeel dat de omschrijving ‘alle huidige en toekomstige bedrijfsactiva’ waaronder wordt verstaan ‘alle tot het bedrijf van de pandgever behorende goederen’ niet aan de vereiste bepaaldheid c.q. bepaalbaarheid voldoet, gebaseerd op de argumenten dat:
1)    onder deze omschrijving ook goederen vallen waarop geen pandrecht mogelijk is; 
en zo deze omschrijving geacht moet worden alleen betrekking te hebben op goederen waarop een pandrecht mogelijk is:
2)    het in Mulder q.q/Rabo gaat om een pandakte waarin niet een pandrecht is gevestigd op ‘alle goederen’, maar op een specifieke categorie goederen, te weten vorderingen op derden;
3)    niet voor ‘alle goederen’ geldt dat zij – zoals vorderingen – erdoor worden gekenmerkt dat hun bestaan en omvang uit de administratie kan worden afgeleid; 
hetgeen ook blijkt uit de in de pandakte genoemde voorbeelden: cliëntenbestanden plegen niet op de balans te worden vermeld en goodwill kan soms op de balans voorkomen, maar dit is niet altijd het geval;
4)    het ook in dit geval gaat om een auteursrecht dat niet op de balans is vermeld.

 

Met dit oordeel heeft de rechtbank blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

 

De rechtbank heeft – zoals onderdeel 2 terecht stelt – met dit oordeel miskend dat ook voor de verpanding van andere goederen dan vorderingsrechten op derden aan het vereiste van voldoende bepaaldheid is voldaan, indien de pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke goederen het gaat.

 

De rechtbank heeft hiermee eveneens miskend – waarover door ING wordt geklaagd in onderdeel 3 – dat een generieke omschrijving van de goederen waarop het pandrecht rust niet slechts voldoende is indien, althans voor zover, het bestaan of de omvang van deze goederen uit de administratie blijkt en/of voor zover die goederen op de balans zijn vermeld. Voldoende is dat aan de hand van de akte naar objectieve maatstaven globaal kan worden bepaald welke goederen zijn verpand. Een nadere specificatie kan op alle daartoe geschikte wijzen plaatsvinden; deze is niet beperkt tot vermelding op de balans van de pandgever.

 

In dit kader is relevant dat tussen partijen niet in geschil is dat het auteursrecht op de door CompLions ontwikkelde software een (voor verpanding vatbaar) goed is behorende tot het bedrijf van CompLions. CompLions heeft deze auteursrechten immers verpand aan BDO en deze auteursrechten zijn ook door de curator verkocht en geleverd.Verder bevinden de administratie van CompLions en meer in het bijzonder haar in de loop der jaren ontwikkelde software zich volgens de onweersproken stelling van de curator c.s. op een voor CompLions bereikbare computerserver.”

 

Zie ook het Boek 9-bericht: A-G over hoogte griffierecht

 

Lees de volledige conclusie hier.