Conclusie AG: CBO mag deel van inkomsten uit billijke compensatie besteden aan culturele/wetenschappelijke activiteiten
10-03-2026 Print this pageVerzoekende partij ‘TL’ is een auteur van wetenschappelijke werken, en maakt naast zijn eigen aanspraken ook aanspraken als gesubrogeerde in de rechten van auteur ‘OS’, die voornamelijk reisgidsen schrijft. Verwerende partij is een beheerorganisatie voor de gemeenschappelijke exploitatie van auteursrechten. TL heeft met zowel OS als met verwerende partij een beheersovereenkomst gesloten. In de statuten van de beheerorganisatie staat dat er subsidie wordt verleend aan het ontwikkelingsfonds voor wetenschap (‘FFW’), dat is een vennootschap waarvan verwerende partij enig aandeelhouder is. TL stelt dat de beheerorganisatie haar inkomsten niet had mogen delen met de vennootschap, waardoor het aandeel van zowel TL als OS in de inkomsten verminderd is.
Uit MinBuza samenvatting, zie ook B9 16730:
Verzoekende partij ‘TL’ is een auteur van wetenschappelijke werken, en maakt naast zijn eigen aanspraken ook aanspraken als gesubrogeerde in de rechten van auteur ‘OS’, die voornamelijk reisgidsen schrijft. Verwerende partij is een beheerorganisatie voor de gemeenschappelijke exploitatie van auteursrechten. TL heeft met zowel OS als met verwerende partij een beheersovereenkomst gesloten. In de statuten van de beheerorganisatie staat dat er subsidie wordt verleend aan het ontwikkelingsfonds voor wetenschap (‘FFW’), dat is een vennootschap waarvan verwerende partij enig aandeelhouder is. TL stelt dat de beheerorganisatie haar inkomsten niet had mogen delen met de vennootschap, waardoor het aandeel van zowel TL als OS in de inkomsten verminderd is.
Op grond van een Duitse regeling moeten beheerorganisaties cultureel belangrijke werken en diensten bevorderen. Dit voorschrift beperkt de kring van ontvangers van subsidie niet tot rechthebbenden. De verwijzende rechter vraagt zich af of dit nationaal voorschrift verenigbaar is met verschillende bepalingen uit richtlijn 2014/26. Daarnaast bepaalt artikel 12, lid 4 van de richtlijn dat een collectieve beheerorganisatie die sociale, culturele en educatieve diensten verleent gefinancierd uit inhoudingen op de rechteninkomsten, deze diensten moet leveren op grond van billijke criteria. De verwijzende rechter vraagt zich af, in het geval dat deze diensten alleen mogen worden geleverd aan rechthebbenden, of deze diensten enkel worden verleend wanneer er een ‘actueel recht’ op vergoeding is of ook wanneer de ontvanger houder is van op dat moment niet te vergoeden auteursrechten.
Gestelde vragen
1. Is het verenigbaar met artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29/EG, artikel 6, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2006/115/EG alsook met artikel 11, lid 4, en artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/26/EU, dat een collectieve beheerorganisatie op grond van een nationaal voorschrift cultureel belangrijke werken moet bevorderen en dit tot gevolg heeft dat ook ontvangers die (in ieder geval nog) niet tot de kring van rechthebbenden behoren, in aanmerking komen voor de subsidie?
2. Voor het geval dat sociale, culturele of educatieve diensten als bedoeld in artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/26/EU slechts aan rechthebbenden mogen worden verleend: mogen dergelijke diensten enkel worden verleend wanneer de ontvanger van deze diensten een actueel recht op vergoeding heeft, of volstaat het dat hij houder is van momenteel niet te vergoeden auteursrechten of naburige rechten? Is voor de toelaatbaarheid van dergelijke diensten vereist dat er een beheersovereenkomst met de collectieve beheerorganisatie bestaat?
Conclusie AG:
1. Hoewel het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in artikel 17, lid 2, ervan de bescherming van intellectuele eigendom aan het algemene eigendomsrecht koppelt, staat het mijns inziens buiten kijf dat de intellectuele eigendom een specifieke rol speelt die verschilt van die van de eigendom van materiële objecten.
2. Dit geldt met name voor literaire en artistieke eigendom, die wordt beschermd door het auteursrecht en de naburige rechten. Die eigendom en de rechten ter bescherming daarvan hebben namelijk als belangrijkste functie bij te dragen aan artistieke en wetenschappelijke schepping, die onmisbaar is voor de werking van elke maatschappij. Het is juist dat deze bijdrage voornamelijk erin bestaat auteurs en uitvoerende kunstenaars een billijke financiële vergoeding voor hun inspanningen te verzekeren, zodat deze zich volledig aan hun creatieve activiteiten kunnen wijden. Zij mag zich evenwel niet daartoe beperken maar moet ook meer algemene doelstellingen nastreven die bijdragen aan de culturele ontwikkeling.
3. De hoeksteen van elk stelsel van auteursrechten en naburige rechten wordt gevormd door collectieve beheerorganisaties, die fungeren als tussenpersoon tussen de makers – rechthebbenden – en de exploitanten van hun werken. Deze organisaties verlenen licenties voor de exploitatie van werken en ander beschermd materiaal en verdelen de daaruit voortvloeiende inkomsten onder de rechthebbenden. Hun rol houdt daar echter niet op. Deze organisaties worden namelijk vaak gevraagd om verschillende andere taken van culturele of maatschappelijke aard te vervullen, in overeenstemming met de maatschappelijke functie van artistieke en literaire eigendom.(2)
4. In de onderhavige zaak gaat het om de vraag of en in hoeverre het Unierecht deze organisaties toestaat om een deel van de geïnde inkomsten, en met name bepaalde categorieën inkomsten, te besteden aan culturele acties die niet alleen ten goede komen aan houders van auteursrechten en naburige rechten, maar ook aan andere categorieën personen.
Conclusie AG
Artikel 11, lid 4, en artikel 12, lid 4, van [collectieve beheerrichtlijn 2014/26/EU], gelezen in samenhang met artikel 5, lid 2, onder b), van [InfoSocrichtlijn 2001/29/EG], en artikel 6, lid 1, van [Verhuurrichtlijn 2006/115/EG] moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een regeling van een lidstaat die een collectieve beheerorganisatie toestaat om een deel van de inkomsten uit het recht op billijke compensatie en het recht op vergoeding, bedoeld in deze laatste twee respectieve bepalingen, te besteden aan culturele activiteiten die, in voorkomend geval, ten goede kunnen komen aan personen die geen auteursrechthebbenden zijn, mits de rechthebbenden direct of indirect een billijke compensatie en een passende vergoeding ontvangen.
ECLI:EU:C:2026:123 en zaak C-840/24