Conclusie tot verwerping in de voor-voorgebruik en 'ouder recht'-zaak

29-06-2023 Print this page
B916545

Merkenrecht. Handelsnaamrecht. Beneluxmerk. 'Ouder recht ‘ in zin van art. 2.23 lid 2 (oud) BVIE. Hervatting na HvJ EU IEPT20220602 CCC. Handelsnaamrechtelijk ‘voor-voorgebruik’ staat bij rechtsverwerking niet aan beroep op ‘ouder recht’ in de weg. 

 

Deze zaak komt na prejudiciële verwijzing door de Hoge Raad terug uit Luxemburg. Het is een geschil over het gebruik van de naam ‘Meering/CCC’ voor busvervoer (de gemeenschappelijke grootvader van betrokkenen is ooit onder deze naam een busbedrijf begonnen). Na de tussenarresten in deze zaak resteert nu in cassatie nog het merkenrechtelijke deel van het geschil, zij het tegen de achtergrond van een rechtsverwerkingssituatie wegens gedogen (co-existentie van handelsnamen); dat handelsnaamrechtelijk sprake is van rechtsverwerking, staat vast door verwerping bij tussenarrest van de daartegen gerichte cassatieklachten. 

 

De Hoge Raad heeft prejudiciële vragen gesteld over het begrip ‘ouder recht van plaatselijke betekenis’ in de zin van art. 2.23 lid 2 (oud) BVIE, een implementatie van art. 6 lid 2 van de Merkenrichtlijn. Er is in deze zaak sprake van wat kan worden aangeduid met voor-voorgebruik van de (handelsnaam) ‘Meering/CCC’ door de merkhouder. In deze nadere conclusie wordt de gegeven uitleg door het Hof van Justitie betrokken bij de niet al door de Hoge Raad bij tussenarrest afgedane klachten. 

 

Dat kan betrekkelijk kort, omdat de resterende klachten meteen hun Waterloo vinden in de beantwoording van het HvJ EU: voor tegenwerping van een ouder recht zoals een handelsnaamrecht aan de merkhouder is niet vereist dat degene die dat oudere recht geniet het gebruik van het jongere merk kan verbieden (vraag 1) en ook al is de merkhouder handelsnaamrechtelijk voor-voorgebruiker, dan kan een derde ook diens oudere recht tegenwerpen in een rechtsverwerkingssituatie waarin de voor-voorgebruiker handelsnaamrechtelijk het hanteren van het oudere recht niet (langer) kan verhinderen (vraag 2). Dat leidt ertoe dat het resterende deel van het principale cassatieberoep geen doel treft en het voorwaardelijk ingestelde incidentele cassatieberoep niet meer aan bod komt.

Ik concludeer tot verwerping van het principale cassatieberoep. 

 

De voorwaarde waaronder het incidentele cassatieberoep is ingesteld (dat (een deel van) het principale cassatieberoep doel treft), wordt niet vervuld. Mocht de Hoge Raad tot een andere slotsom komen voor wat betreft het principale cassatieberoep, dan verwijs ik naar 3.1-3.4 van mijn eerdere conclusie in deze zaak voor een inhoudelijke bespreking van het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep. Daar heb ik in dit stadium niets aan toe te voegen.


ECLI:NL:PHR:2023:530