Inbreuk op persoonlijke levenssfeer in perspublicatie geeft aanspraak op smartengeld
09-10-2013 Print this page
Sikke Kingma (Pels Rijcken), Cassatieblog.nl, CB 2013-169, 8 oktober 2013. Over het arrest van de Hoge Raad van 4 oktober 2013 in de zaak tussen Het Parool en Van P.
"Voor de mediarechtelijke praktijk is vooral r.o. 3.4.2 van (zaaksoverstijgend) belang. Het Parool c.s. hadden betwist dat Van P. nadeel had geleden als gevolg van de publicatie van zijn portret en hadden betoogd dat Van P. daarom geen immateriëleschadevergoeding toekwam. In cassatie klaagden Het Parool c.s. dat het hof aan dit betoog voorbij was gegaan. Tevergeefs, want de Hoge Raad oordeelt dat met het oordeel dat de persoonlijke levenssfeer het zwaarst weegt, de aanspraak op immateriële schadevergoeding gegeven is [...]
Daarmee lijkt de Hoge Raad de eisen voor toepasselijkheid van art. 6:106 lid 1 sub b BW wat te versoepelen. Dat artikel geeft recht op smartengeld bij lichamelijk letsel, schade aan eer of goede naam en aantasting in de persoon “op andere wijze”. Vorig jaar nog – zie CB 2012-140 – deed de Hoge Raad uitspraak over de schadeaanspraken van iemand die een blauw oog was geslagen. Het slachtoffer had daarmee recht op schadevergoeding onder genoemd artikel omdat hij lichamelijk letsel had opgelopen, maar voor schadevergoeding wegens aantasting in de persoon “op andere wijze” was onvoldoende komen vast te staan (r.o. 3.5):
“Voor de toewijsbaarheid van een hierop gerichte vordering is uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Weliswaar is niet in alle gevallen uitgesloten dat een uitzondering op dit uitgangspunt wordt aanvaard in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, maar in het onderhavige geval heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat daartoe onvoldoende is gesteld.”
Bij een perspublicatie is kennelijk geen “geestelijk letsel” of ander aangetoond nadeel nodig. De Hoge Raad geeft geen verklaring voor dit verschil in benadering, maar wellicht is het hierin gelegen dat indien is vastgesteld dat sprake is van een schending van art. 8 EVRM die bovendien een uitzondering op art. 10 EVRM rechtvaardigt, daarmee voldoende vaststaat om vergoeding van immateriële schade te rechtvaardigen. De omvang van die schadevergoeding is nog weer iets anders."
Lees hier meer. Het arrest hier.