Kwade trouw in BOIP-doorhalingsprocedures; eerste ervaringen en praktische overwegingen
24-08-2021 Print this page
BMM Bulletin 2021-3, p. 100-103, Camille Janssen: ''Sinds de aanpassing van het BVIE aan de merkenrichtlijn op 1 maart 2019, kan bij BOIP de nietigverklaring van een merk worden gevraagd omdat dit te kwader trouw is ingediend. Artikel 2.30bis, lid I, sub a BVIE verklaart 2.2bis, lid 2 van toepassing in de doorhalingsprocedure bij BOIP. Dit was, negen maanden eerder bij invoering van de BOIP-doorhalingsprocedure, niet voorzien. De Beneluxlanden achtten het beter om deze doorhalingsgrond enkel bij de rechter te laten en BOIP te laten oordelen over die gronden waar het Bureau al ervaring mee had door het werk in de oppositieprocedure en de toetsing op absolute gronden. De nieuwe Europese Merkenrichtlijn verplicht echter om kwade trouw wel als grond te hebben en daarmee haalde de Europese wetgever die in de Benelux dus in. Een wat ongelukkig verloop van verdragsaanpassing, waarvoor de verklaring ligt in overwacht snel definitief worden van de tekst van de Merkenrichtlijn eind van 2015.
Inmiddels heeft BOIP dus zo'n twee jaar ervaring met kwade trouw als doorhalingsgrond. Dit heeft tot nu toe vijf beslissingen opgeleverd waartegen in drie gevallen beroep is ingesteld. Dit artikel is bedoeld om de eerste ervaringen van BOIP met deze nieuwe grond te delen.''