Prejudiciële vragen over kunstmatige afscherming van markten door parallelimporteur na ompakking merk van merkgeneesmiddel te verbieden

24-09-2020 Print this page
B916329

Prejudiciële vragen over kunstmatige afscherming van markten door parallelimporteur na ompakking merk van merkgeneesmiddel te verbieden. Kan het verzet aan BMS-voorwaarden worden getoetst? Maakt het daarbij uit of de producten identiek zijn of dezelfde therapeutische werking hebben?

MERKENRECHT

Samenvatting van Minbuza.nl: De feiten, rechtsoverwegingen en prejudiciële vragen in zaak C-254/20 zijn nagenoeg identiek als die in C-253/20. Novartis heeft een geneesmiddel ontwikkeld met als actief bestanddeel ‘letrozol’. Dit geneesmiddel wordt in België en Nederland onder het Uniemerk Femara op de markt gebracht. Aangezien letrozol niet langer octrooirechtelijk is beschermd, brengt Sandoz B.V. (onderdeel van Novartis) in Nederland het generiek geneesmiddel Letrozol Sandoz op de markt. Sinds 2014 wordt het generieke geneesmiddel letrozol ook in België op de markt gebracht door Sandoz N.V. Femara en Letrozol Sandoz zijn identieke geneesmiddelen. Impexeco is een Belgische onderneming die actief is op het vlak van parallelinvoer. Zij voert vanuit Nederland het generiek geneesmiddel Letrozol Sandoz in in België, na het te hebben omgepakt en te hebben hermerkt (aanbrengen van het merk Femara). Impexeco voert aan dat Novartis Letrozol Sandoz voorstelt als een generiek geneesmiddel, terwijl het exact hetzelfde geneesmiddel is als Femara. Aangezien Novartis van oordeel is dat deze commercialisatie door lmpexeco inbreuk maakt op haar merkenrechten, is zij op 6 november 2016 overgegaan tot dagvaarding van lmpexeco voor de stakingsrechter te Brussel. De stakingsrechter te Brussel oordeelde dat de vordering van Novartis gegrond was en stelde vast dat de hermerking van het generiek product ‘letrozol’ van Sandoz naar het merkt ‘Femara’ de merkenrechten van Novartis schendt. Impexeco tekende hoger beroep aan bij de verwijzende rechter.

 

Overweging: De verwijzende rechter stelt vast dat er controverse en onzekerheid bestaat over de vraag of het verzet van de houder van het merk tegen de verdere verhandeling van een generiek geneesmiddel door een parallelimporteur die dit generiek geneesmiddel heeft omgepakt door het aanbrengen van het merk van het merkgeneesmiddel (het referentiegeneesmiddel) in het land van invoer, kan leiden tot een kunstmatige afscherming van de markten van de lidstaten als bedoeld in artikel 34-36 VWEU.


1. Moeten de artikelen 34-36 VWEU aldus worden uitgelegd dat, indien een merkgeneesmiddel (referentiegeneesmiddel) en een generiek geneesmiddel door economisch met elkaar verbonden ondernemingen in de EER in de handel zijn gebracht, het verzet van een merkhouder tegen de verdere verhandeling van het generiek geneesmiddel door een parallelimporteur na ompakking van dit generiek geneesmiddel door het aanbrengen van het merk van het merkgeneesmiddel (referentiegeneesmiddel) in het land van invoer, kan leiden tot een kunstmatige afscherming van de markten van de Lidstaten?

2. lndien het antwoord op deze vraag bevestigend is, moet het verzet van de merkhouder tegen deze hermerking dan aan de BMS-voorwaarden worden getoetst?

3. ls het voor het antwoord op deze vragen relevant dat het generiek geneesmiddel en het merkgeneesmiddel (referentiegeneesmiddel) identiek zijn dan wel dezelfde therapeutische werking hebben zoals bedoeld in artikel 3, I 2 van het Koninklijk Besluit van 19 april 2001 inzake parallelinvoer?

Kopie oorspronkelijke verwijzing C-253/20 en verwijzing C-254/20