Schorsing executie wegens penibele financiële situatie executant

09-11-2012 Print this page

B9 11827. Vzr. Rechtbank Breda, 8 november 2012, Beckers Benelux B.V. tegen JMQ Trading B.V. (met dank aan Eelco Bergsma & Wim Maas, Deterink).

Octrooirecht, althans eindvonnis  in het executiegeschil in de krokettenzaak Beckers/JMQ. (eerdere uitspraken hier). Gelet op de penibele financiële situatie van JMQ schorst de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Den Haag.  “het belang van Beckers om zekerheid te verkrijgen voor een eventuele terugbetaling zwaarder dient te wegen dan het belang van JMQ om het vonnis te executeren zonder de beslissing in hoger beroep af te wachten.”

Met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de executie oordeelt de voorzienigenrechter echter dat  de omstandigheid dat in het vonnis  van de rechtbank Den Haag aan Beckers geen proceskosten conform artikel 1019h Rv zijn toegekend niet is aan te merken als een kennelijk juridische misslag.  “De rechtbank heeft de stellingen van JMQ omtrent een inbreuk op het octrooirecht van ondergeschikte betekenis geoordeeld. Beckers stelt wei dat de octrooivraag een rol blijft spelen voor de toepasselijkheid van de overeenkomst in de toekomst, maar dit laat onverlet dat het octrooirecht niet de grondslag is geweest voor de procedure die heeft geleid tot het vonnis.”

Een met de eerdere verwijzing van de Rechtbank Den Haag samenhangende processuele kwestie betreft ten slotte het verschil  (en de consequenties daarvan) tussen een oproepingsexploit en een dagvaarding.  De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de dagvaarding waarmee Beckers JMQ voor deze zitting heeft opgeroepen gelijk te stellen is aan het in artikel 73 Rv. genoemd oproepingsexploit en verwerpt de stelling dat in deze zaak het ne-bis-in-idem beginsel zou hebben te gelden, omdat twee gelijkluidende dagvaardingen zijn uitgebracht.

Lees het vonnis hier.