Geen inbreuk op octrooi verplaatsingsinrichting

05-04-2023 Print this page
Auteur:
Birgit Kunst-Verboon
IEPT19950202, Hof Den Haag, Verplaatsingsinrichting

Anders dan de voorzieningenrechter komt het hof tot het oordeel dat de inrichting van gedaagde geen inbreuk op het octrooi van eiser maakt: Deskundige zal na het lezen van de conclusies tot de slotsom komen dat door het octrooi een inrichting wordt beschermd die een verbetering behelst ten opzichte van de stand van de techniek (Amerikaanse octrooischrift 3.473.715).  In de inrichting van De Groot ontbreken wezenlijke kenmerken van de geoctrooieerde inrichting.

 

OCTROOIRECHT

 

Eiser is houder van een Nederlands octrooi voor het verplaatsen van leidingen en/of buizen, verleend op 18 juni 1992. Volgens eiser maakt gedaagde maakt haar inrichting voor het verplaatsen van buizen inbreuk op het octrooi van eiser.

 

In eerste aanleg wees de voorzieningenrechter het gevorderde inbreukverbod af. Nu gedaagde haar inrichting al voor de openbaarmaking van eisers octrooiaanvrage in haar bedrijf had vervaardigd mag zij de inrichting niettemin ten dienste van haar bedrijf blijven gebruiken op grond van artikel 30 lid 4 laatste zin Row 1910. De inbreukvraag moet wel behandeld worden om de vordering die tot opgaaf van de met gedaagdes inrichting gemaakte omzet te kunnen beoordelen, in verband met eisers mogelijke aanspraak op een redelijke vergoeding, artikel 43a Row 1910.

 

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter komt gedaagdes inrichting overeen met het kenmerkende deel van conclusie 1 van eisers octrooi, namelijk met het in hoekstand ten opzichte van de basis instelbaar wieldraaggestel welke om een as scharniert, dwars op de verplaatsingsrichting van de buis.

Gedaagdes inrichting komt niet overeen met de in de aanhef van conclusie 1 gegeven omschrijving van eisers wieldraagstelstel met tenminste twee aandrijfbare wielgroepen met een rol. Van een werkelijk driehoeksverband van drie wielen is geen sprake omdat de draaiingshartlijnen van elk van de wielen parallel aan elkaar verlopen en die van de rol niet in hetzelfde vlak ligt. Bovendien is de rol kennelijk niet aandrijfbaar.

 

De vraag is nu wat de beschermingsomvang van eisers octrooi is. 

Eisers octrooi is in de beschrijving afgebakend tegen de bekende stand van de techniek door vermelding van Amerikaans octrooischrift 3.473.715 en het Nederlands octrooischrift 159.243, volgens welke beide octrooien de wielen in het basisgestel zijn aangebracht en wel op zodanige wijze dat zij een kabel of buis slechts evenwijdig aan het aardoppervlak kunnen transporteren. Blijkens het verleningsdossier van het Amerikaanse octrooi vormen de draaiingshartlijnen van de wielen van de wielgroepen een driehoeksverband en blijkens de beschrijving van eisers octrooi gaat het bij het voorbekende Nederlandse octrooi om tegenover elkaar gelegen wielen met evenwijdige draaiingshartlijnen (evenals bij gedaagdes inrichting). Blijkens het verleningsdossier (voorzover dat werd overgelegd) werd in de aanvraag in de aanhef van conclusie 1 slechts gesproken van “een gestel en draaibaar in het gestel gelegerde ... wielen” en waren de wielen in driehoeksverband, zelfs met een voorgeschreven hoekstand ten opzichte van elkaar, na het kenmerk geplaatst. In de aanvraag wordt ook slechts afgebakend tegen Nederlands octrooi 159.243 (twee wielen per stel) en ontbreekt het Amerikaans octrooi 3.473.715 (wielen in driehoeksverband). Het moet er dus voor worden gehouden dat men er tijdens de verlening (er werd een nieuwheidsonderzoek verricht) op is gestuit dat de wielen in driehoeksverband door het Amerikaans octrooischrift waren geanticipeerd en dat daarom is besloten deze driehoekswielstellen als de dichtstbijzijnde stand van de techniek te plaatsen in de aanhef.

 

Voor de deskundige lezer van het octrooischrift moet duidelijk zijn dat eiseres uitvinding bestaat in de voordien niet geopenbaarde oplossing om, door middel van een kantelbaar wieldraaggestel, kabels/buizen in de grond te duwen of daaruit te trekken. De vermelding in de aanhef van conclusie 1 -van alléén de dichtstbijzijnde stand van de techniek in de beschermingsomvang- maakt niet dat de conclusie is beperkt tot inrichtingen met een instelbaar, scharnierend wieldraaggestel waarvan de aandrijfwielstellen in driehoeksverband staan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter maakt gedaagde inbreuk op het octrooi van eiser.

 

In hoger beroep beslist het hof echter anders.

 

Uit een overgelegde, schematische tekening van de inrichting van gedaagde blijkt dat de wielen in de inrichting van gedaagde niet alle zijn voorzien van veerkrachtige banden, dat de draaiingslijnen van de wielen niet nagenoeg in een vlak liggen en dat de draaiingshartlijnen geen driehoeksverband hebben. Volgens het hof ontbreken in de inrichting van gedaagde wezenlijke kenmerken van de geoctrooieerde inrichting: de draaiingshartlijnen van de wielen voorzien van veerkrachtige banden, verlopen verticaal en zijn niet in een vlak gelegen. Een uitleg van de conclusies die erop neerkomt dat de inrichting van gedaagde onder de beschermingsomvang van het octrooi van eiser komt, zou enerzijds aan de octrooihouder meer bescherming geven dan waarop deze redelijkerwijze aanspraak kan maken, en anderzijds derden de hun toekomende redelijke mate van rechtszekerheid onthouden.

 

 

IEPT19950202, Hof Den Haag, Verplaatsingsinrichting

 

BIE 1997, nr. 42, blz. 248