Inaanmerkingneming door BHIM van aanvullend bewijs van normaal gebruik

27-09-2013 Print this page
IEPT20130926, HvJEU, Centrotherm v BHIM

Vernietiging arrest van Gerecht EU betreffende procedure inzake (gedeeltelijke) vervallenverklaring van gemeenschapswoordmerk CENTROTHERM. Gerecht EU heeft blijk gegeven van onjuiste rechtsopvatting door in bestreden arrest te oordelen dat in een situatie waarin wel degelijk bewijzen van gebruik van merk zijn overgelegd binnen gestelde termijn, overlegging van aanvullend bewijs, nadat die termijn is verstreken, hoe dan ook is uitgesloten, zodat BHIM vervallenverklaring van het merk dient uit te spreken indien aanvankelijk overgelegde bewijzen niet volstaan als bewijs dat om het om een normaal gebruik ging.

MERKENRECHT - PROCESRECHT

Het betreft een hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht EU, waarbij het beroep van Centrotherm Systemtechnik tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 25 augustus 2009 betreffende een procedure inzake vervallenverklaring die door centrotherm Clean Solutions tegen het gemeenschapswoordmerk CENTROTHERM van Centrotherm Systemtechnik is ingesteld, is verworpen. Het gemeenschapswoordmerk is gedeeltelijk vervallen verklaard, omdat Centrotherm geen normaal gebruik van het merk voor de betreffende waren en diensten heeft kunnen aantonen. (Een parallelle zaak tussen dezelfde partijen waarin eveneens tegen de litigieuze beslissing wordt opgekomen vindt u hier).

Ter ondersteuning van dit beroep heeft Centrotherm drie middelen aangevoerd, te weten, ten eerste, onjuiste beoordeling van de bewijzen betreffende het gebruik die aan de nietigheidsafdeling van het BHIM waren overgelegd, ten tweede, niet-nakoming van de verplichting om de feiten ambtshalve te onderzoeken en, ten derde, niet-aanmerkingneming van de aan de kamer van beroep overgelegde bewijzen. Het arrest van het Gerecht EU wordt vernietigd, nu het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in het bestreden arrest te oordelen dat in een situatie waarin wel degelijk bewijzen van het gebruik van het merk zijn overgelegd binnen de gestelde termijn, overlegging van aanvullend bewijs, nadat die termijn is verstreken, hoe dan ook is uitgesloten, zodat het BHIM vervallenverklaring van het merk dient uit te spreken indien de aanvankelijk overgelegde bewijzen niet volstaan als bewijs dat om het om een normaal gebruik ging.

86 Het is in dit verband juist dat uit de bewoordingen van deze bepaling volgt dat het BHIM in beginsel de sanctie van vervallenverklaring moet uitspreken, wanneer geen bewijs van het gebruik van het betrokken merk wordt overgelegd binnen de door hem gestelde termijn. Dat is echter niet het geval wanneer binnen die termijn wél bewijzen van dat gebruik zijn verstrekt.

87 In dat geval moet de procedure immers, tenzij dat bewijsmateriaal met het oog op het bewijs van het normaal gebruik van het merk volstrekt irrelevant is, worden voortgezet. Met name dient het BHIM dan overeenkomstig artikel 57, lid 1, van verordening nr. 207/2009 zo dikwijls als nodig de partijen te verzoeken termijn te antwoorden op mededelingen van de andere partijen of van het BHIM zelf. Indien in die context het merk nadien vervallen wordt verklaard, komt deze vervallenverklaring niet voort uit de toepassing van regel 40, lid 5, van verordening nr. 2868/95, die in wezen een procedurele bepaling is, maar uitsluitend uit de toepassing van de materiële bepalingen van de artikelen 51, lid 1, en 57 van verordening nr. 207/2009.

88 Zoals in punt 77 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, volgt uit een en ander inzonderheid dat overlegging van bewijzen van het gebruik van het merk ter aanvulling van bewijzen die zelf binnen de door het BHIM overeenkomstig regel 40, lid 5, van verordening nr. 2868/95 gestelde termijn zijn verstrekt, nog steeds mogelijk is nadat deze termijn is verstreken, en het het BHIM geenszins verboden is om rekening te houden met aldus niet tijdig overgelegde aanvullende bewijzen.

IEPT20130926, HvJEU, Centrotherm Systemtechnik v BHIM