Interveniërende partij kan verzoek tot vernietiging of wijziging van BHIM beslissing indienen
27-09-2013 Print this page
Hogere voorziening wordt afgewezen. Centrotherm had in haar hoedanigheid van interveniërende partij in procedure tot gedeeltelijke vernietiging van litigieuze beslissing die door centrotherm Clean Solutions bij Gerecht is ingesteld, een eventueel verzoek tot vernietiging of wijziging van deze beslissing kunnen indienen en in dat kader middelen en conlusies kunnen voordragen. Dit heeft Centrotherm echter nagelaten.
MERKENRECHT - PROCESRECHT
Centrotherm Systemtechnik verzoekt het Hof om vernietiging van het arrest van het Gerecht EU van 15 september 2011, houdende toewijzing van het beroep van centrotherm Clean Solutions tot gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 25 augustus 2009 betreffende een procedure tot vervallenverklaring die door centrotherm Clean Solutions tegen het Gemeenschapswoordmerk CENTROTHERM van Centrotherm Systemtechnik is ingesteld. (Een parallelle zaak tussen dezelfde partijen waarin eveneens tegen de litigieuze beslissing wordt opgekomen vindt u hier).
Ter ondersteuning van dit beroep heeft Centrotherm vier middelen aangevoerd, te weten, ten eerste, het niet onderzoeken door het Gerecht EU van alle middelen van Centrotherm, ten tweede, onjuiste beoordeling van de bewijslast betreffende het normaal gebruik van het merk, ten derde, onjuiste uitleg van het begrip normaal gebruik, en, ten vierde, niet-inaanmerkingneming van de aan het kamer van beroep overgelegde verklaring op erewoord. De hogere voorziening wordt door het Hof van Justitie EU afgewezen.
Enkele overwegingen:
38 Voorts bepaalt artikel 134, leden 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht dat de partijen in de procedure voor de kamer van beroep, met uitzondering van de partij die de zaak bij het Gerecht aanhangig heeft gemaakt, als interveniënten kunnen deelnemen aan de procedure voor het Gerecht en dat zij in die hoedanigheid conclusies en middelen kunnen voordragen die autonoom zijn ten opzichte van die van de partij ten principale. Artikel 134, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering preciseert dienaangaande dat de betrokken interveniënt in zijn memorie van antwoord conclusies kan voordragen strekkende tot vernietiging of wijziging van de beslissing van de kamer van beroep op een punt dat in het verzoekschrift niet is opgeworpen en middelen kan voordragen die in het verzoekschrift niet zijn voorgedragen.
39 Uit het voorgaande volgt dat Centrotherm Systemtechnik, in haar hoedanigheid van interveniërende partij in de procedure tot gedeeltelijke vernietiging van de litigieuze beslissing die door centrotherm Clean Solutions bij het Gerecht is ingesteld, een eventueel verzoek tot vernietiging of wijziging van deze beslissing kon indienen.
40 In casu moet er meteen op worden gewezen dat Centrotherm Systemtechnik met dit middel niet aanvoert dat zij voor het Gerecht tot vernietiging van de litigieuze beslissing heeft geconcludeerd.
41 Zij stelt daarentegen dat de conclusies in haar bij deze rechterlijke instantie ingediende memorie van antwoord, gelet op het in deze memorie ontwikkelde betoog, door het Gerecht aldus hadden moeten worden opgevat dat zij dit laatste verzocht om het beroep van centrotherm Clean Solutions te verwerpen, na – zo nodig – zijn eigen beoordeling in de plaats te hebben gesteld van die van de kamer van beroep, door op dit punt gebruik te maken van zijn wijzigingsbevoegdheid.
42 In dit verband moet allereerst worden vastgesteld dat in het petitum van de conclusies die zij in de door haar bij het Gerecht ingediende memorie van antwoord heeft geformuleerd, Centrotherm Systemtechnik deze rechterlijke instantie enkel heeft verzocht om „het beroep te verwerpen”, zonder dat sprake is van enige – zij het subsidiaire – vordering tot vernietiging of wijziging van de litigieuze beslissing.
43 Uit de bewoordingen van artikel 134, leden 2 en 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht als zodanig volgt evenwel dat deze bepaling de interveniërende partij toestaat om in haar memorie van antwoord autonome „conclusies” strekkende tot vernietiging of wijziging van de bestreden beslissing voor te dragen. Hieruit volgt dat hetgeen interveniënte in voorkomend geval op basis van deze bepaling wenst te vorderen, uit de conclusies van haar memorie van antwoord dient te blijken (zie in die zin, wat het gedinginleidende verzoekschrift betreft, beschikking van 28 juni 2011, Verein Deutsche Sprache/Raad, C‑93/11 P, punt 18).
44 Bovendien moet worden geconstateerd dat het door Centrotherm Systemtechnik in de memorie van antwoord ontwikkelde betoog, evenmin als het petitum van de door haar in deze memorie geformuleerde conclusies, klaar en duidelijk melding maakt van een verzoek om wijziging van de litigieuze beslissing.
IEPT20130926, HvJ EU, Centrotherm Systemtechnik v BHIM II