HR stelt prejudiciële vragen aan HvJEU m.b.t. maatstaf toewijsbaarheid exhibitievordering van artikel 6 Handhavingsrichtlijn

09-12-2016 Print this page
IEPT20161209, HR, Synthon v Astellas

De Hoge Raad stelt het HvJEU twee vragen met betrekking tot de exhibitievordering op grond van artikel 6 Handhavingsrichtlijn: moet er bij de toewijsbaarheid van de exhibitievordering onderscheid worden gemaakt tussen een inbreukmaker of een derde? En: wanneer tegen een exhibitievordering verweer wordt gevoerd inhoudende dat een recht waarop exhibitie wordt verlangd nietig is, aan de hand van welke maatstaf moet dat verweer worden beoordeeld?

IE-HANDHAVING, PROCESRECHT

Zie het bericht op boek9 van 22 november jl. en de bijbehorende IEPT20161118.

In het arrest van 18 november 2016 geeft de Hoge Raad antwoord op de vragen van het hof Arnhem-Leeuwarden van 6 oktober 2015. Tevens is de HR voornemens vragen te stellen aan het HvJEU. In het arrest van 18 november 2016 heeft de Hoge Raad partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten omtrent de beoogde vragen van uitleg als in die uitspraak vermeld. De advocaten van partijen hebben zich over die vragen uitgelaten. De Hoge Raad verzoekt het HvJEU thans over de volgende vragen uitspraak te doen.

“1.a. Moet art. 6 Handhavingsrichtlijn aldus worden uitgelegd dat bij de aan te leggen maatstaf voor toewijsbaarheid van een exhibitievordering onderscheid moet worden gemaakt al naar gelang de partij van wie exhibitie wordt verlangd, een (beweerdelijke) inbreukmaker is of een derde?
b. Indien het antwoord op deze vraag bevestigend luidt, in welk opzicht verschillen dan die maatstaven?

2.a. Indien tegen een exhibitievordering een verweer wordt gevoerd dat inhoudt dat het recht van intellectuele eigendom op grond waarvan de exhibitie wordt verlangd, nietig is of niet langer bestaat, dient dan de gegrondheid van dat verweer aan de hand van dezelfde maatstaf te worden beoordeeld als die welke geldt voor de vraag naar de aannemelijkheid van de gestelde inbreuk (aangenomen dat het ingeroepen recht van intellectuele eigendom bestaat)?
b. Indien het antwoord op deze vraag ontkennend luidt, in welk opzicht verschillen dan die maatstaven?”

IEPT20161209, HR, Synthon v Astellas

(ECLI-versie)