Oppositie Nederlandse Energiemaatschappij tegen inschrijving beeldmerk Nederlandse Internet Maatschappij terecht afgewezen
20-11-2017 Print this pageOppositie Nederlandse Energiemaatschappij tegen inschrijving beeldmerk Nederlandse Internet Maatschappij terecht afgewezen. Geen sprake van enige overeenstemming met beeldmerk 3 waardoor soortgelijkheid en onderscheidend vermogen niet hoeven worden onderzocht: teken bestaat uit felle contrasterende kleuren en doet denken aan een stopbord terwijl beeldmerk bestaat uit een aantal cirkels met zachte in elkaar overlopende kleuren dat doet denken aan een dartbord. Geen verwarringsgevaar met beeldmerk 2: visuele overeenstemming door uit drie woorden bestaand woordelement dat zich op ongeveer gelijke afstand van daarvoor geplaatste cirkel bevindt, deze overeenstemming is echter gering nu cirkels afwijken en woorden "Nederlandse" en "Maatschappij" algemene benamingen zijn, zeer geringe auditieve overeenstemming door afwijking in meest bepalende woord, geen begripsmatige overeenstemming nu Nederlandse Maatschappij algemeen begrip is en de diensten afwijken, vanwege bestaan (zeer) geringe overeenstemming had Bureau soortgelijkheid waren en verwarringsgevaar moeten onderzoeken, gelet op geringe overeenstemming kan verwarringsgevaar echter alleen worden aangenomen als merk 2 een (zeer) groot onderscheidend vermogen heeft, hier is geen sprake van. Geen verwarringsgevaar met beeldmerk 1: overeenkomst hier nog geringer door plaatsing woordelement.
Verzoek van de Nederlandse Energiemaatschappij (NLE) om de beslissing van het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom om haar oppositie tegen het inschrijving van het beeldmerk van de Nederlandse Internetmaatschappij (NIM) af te wijzen, te vernietigen en de oppositie alsnog toe te wijzen. NLE beroept zich op de drie afgebeelde beeldmerken. Het hof verwerpt het beroep.
Volgens het hof is geen sprake van enige overeenstemming met beeldmerk 3 waardoor soortgelijkheid en onderscheidend vermogen niet hoeven worden onderzocht. Het hof overweegt in dit kader dat het beeldelement in het NIM-beeldmerk bestaat uit felle contrasterende kleuren en doet denken aan een stopbord, terwijl het NLE-beeldmerk bestaat uit een aantal cirkels met zachter in elkaar overlopende kleuren en doet denken aan een dartbord. Dit brengt naar het oordeel van het hof mee dat geen sprake kan zijn van verwarringsgevaar daar overeenstemming één van de voor het aannemen daarvan vereiste cumulatieve voorwaarden is en dat de (soort)gelijkheid van de waren en diensten en het onderscheidend vermogen niet behoeven te worden onderzocht.
Bij de vergelijking met beeldmerk 2 bestaat wel enig verwarringsgevaar, zo oordeelt het hof. Zo is er sprake van visuele overeenstemming door een uit drie woorden bestaand woordelement dat zich op ongeveer gelijke afstand van een daarvoor geplaatste cirkel bevindt. Deze is volgens het hof echter wel gering nu cirkels afwijken en woorden Nederlandse en Maatschappij algemene benamingen zijn. Door de afwijking in het middelste woord, dat volgens het hof het meest bepalende is, is ook slechts sprake van zeer geringe auditieve overeenstemming. Nu Nederlandse Maatschappij een algemeen begrip is en de diensten van elkaar afwijken is volgens het hof geen sprake van begripsmatige overeenstemming. Vanwege het bestaan van (zeer) geringe overeenstemming had Bureau naar het oordeel van het hof de soortgelijkheid van de waren en het al dan niet bestaan van verwarringsgevaar moeten onderzoeken. Verwarringsgevaar kan volgens het hof gelet op de geringe overeenstemming alleen worden aangenomen indien het merk (zeer) groot onderscheidend vermogen heeft. Hier is volgens het hof geen sprake van.
Tot slot bestaat volgens het hof eveneens geen gevaar voor verwarring met beeldmerk 1 nu het teken hier meer afwijkt dan bij merk 2 door de plaatsing van het woordelement zodat de overeenstemming hier nog geringer is. Bovendien stelt het hof dat het merk niet is gebruikt sinds 2010 waardoor het onderscheidend vermogen niet groter kan zijn dan bij merk 2. Hierdoor is ook hier geen sprake van verwarringsgevaar, zo oordeelt het hof.
Op grond van het bovenstaande oordeelt het hof dat het Bureau de oppositie terecht heeft afgewezen. Het beroep wordt dan ook verworpen.
IEPT20170321, Hof Den Haag, NLE v NIM