Geen verwarringsgevaar tussen beeldmerk 'NANA-FINK' en woordmerk 'NANA' vanwege verschillende waren

Print this page 14-04-2017
IEPT20170406, GEU, Nanu-Nana v EUIPO

Merkenrecht. Beroep tegen de inschrijving van het nieuwe beeldmerk ‘NANA-FINK’ ingeschreven voor waren van klassen 14, 18 en 26 door de houder van het bestaande woordmerk ‘NANA’ ingeschreven voor waren van klassen 14, 18 en 26.

 

Het beroep wordt deels verworpen. Kamer van beroep heeft onterecht niet over gehele beroep geoordeeld. De kamer van beroep heeft nagelaten te oordelen over ‘edele metalen en hun legeringen’ behorend tot klasse 14. Om deze reden wordt het beroep deels toegewezen. Voor de rest wordt het beroep afgewezen omdat er geen verwarringsgevaar is tussen het oude woordmerk ‘NANA’, onder andere ingeschreven voor uurwerken, lederwaren en kunstbloemen, en het nieuwe beeldmerk ‘NANA-FINK’, onder andere ingeschreven voor edele metalen, leder en riemsluitingen. De waren waarvoor het beeldmerk en het woordmerk zijn ingeschreven zijn niet complementair en niet concurrerend. De waren waarvoor de merken zijn ingeschreven zijn dus niet soortgelijk. Het beeldmerk ‘NANA-FINK’ is onder andere ingeschreven voor riemsluitingen wat verschilt met uurwerken waarvoor het woordmerk ‘NANA’ is ingeschreven. Het nieuwe beeldmerk is ook ingeschreven voor onder andere leder en lederwaren maar met een ander doel dan het oude woordmerk. De leder waarvoor het nieuwe beeldmerk is ingeschreven moet hoofdzakelijk als grondstof dienen voor producenten van waren van leder, waar het oude beeldmerk tot doel heeft om de lichaamsdelen van de mens te bedekken.

 

75. In casu moet worden vastgesteld dat de betrokken waren, namelijk enerzijds de tot de klassen 14 en 26 behorende „riemsluitingen” en „versieringen en decoraties voor ritssluitingen in edele metalen” waarop de aan de orde zijnde internationale inschrijving betrekking heeft, en anderzijds de tot diezelfde klassen behorende waren zoals deze door het oudere merk worden beschermd, te weten uurwerken en juwelierswaren of siervoorwerpen zoals versieringen voor sleutelhangers en decoraties in edele metalen alsook kunstbloemen, verschillend van aard zijn, en dus noch onontbeerlijk noch minstens belangrijk zijn voor het respectieve gebruik ervan.

 

89. Verzoekster kan niet stellen dat de door het oudere merk aangeduide waren en „leder en kunstleder; dierenhuiden” complementaire waren zijn omdat de eerste waren worden vervaardigd met de tweede. In dit verband moet worden geoordeeld dat de kamer van beroep in de punten 34 tot en met 36 van de bestreden beslissing op goede gronden heeft geconstateerd dat de vaststelling dat de waren van klasse 18 die onder de aan de orde zijnde internationale inschrijving vallen, noodzakelijk zijn voor de vervaardiging van een aantal tot klasse 18 behorende waren waarop het oudere merk betrekking heeft – zoals tassen en valiezen van allerlei aard –, niet volstaat om daaruit te kunnen afleiden dat de betrokken waren soortgelijk zijn, aangezien deze waren ook met andere materialen kunnen worden vervaardigd en het publiek dus niet ervan uitgaat dat die waren worden aangeboden door dezelfde producenten.

 

Lees het arrest hier.