Organiseren enkele feesten in café onvoldoende om gebruik voor dezelfde of soortgelijke diensten (dansfeesten) aan te nemen

Print this page 18-05-2017
IEPT20170509, Rb Overijssel, Investeq

Geen inbreuk ‘sub a’ op woordmerk BRUUT door gebruik beeldmerk dat het woordelement bruut bevat: merken niet gelijk omdat uitroepteken en krul in beeldmerk zorgen voor duidelijke verschillen. Ook geen inbreuk ‘sub b’: merken stemmen weliswaar overeen maar het organiseren van enkele feesten in café onvoldoende om gebruik voor dezelfde of soortgelijke diensten (dansfeesten) aan te nemen en gevaar voor verwarring is bovendien onvoldoende aannemelijk gemaakt.  Beroep gedaagde op oudere rechten van plaatselijke betekenis in de zin van art. 2.23 lid 2 BVIE in reconventie afgewezen: niet gebleken van gebruik als onderscheidingsteken of handelsnaam daterend vóór merkaanvraag eisers. Geen inbreuk op handelsnaam Bruut Zwolle door gebruik handelsnamen Bruut en Bruut Concepts : gedaagde voerde handelsnamen eerder.

 

MERKENRECHT - HANDELSNAAMRECHT

 

Kort geding. Eisers Investeq, Bruut Concepts en Onze Zaak zijn respectievelijk houdster van het woordmerk Bruut voor alcoholische dranken, een dochteronderneming van Investeq die zich bezighoudt met de verkoop van haar eigen ‘BRUUT’ champagne en een horecagelegenheid in Zwolle onder meer handelend onder de naam ‘Bruut Zwolle’. Gedaagde houdt zich sinds juli 2011 bezig met het organiseren van (dans)evenementen en heeft Op 20 juli 2012 heeft gedaagde voor het eerst een evenement georganiseerd onder de naam ‘Bruut!’ en heeft inmiddels onder die naam in heel Nederland meer dan honderd evenementen georganiseerd. Ook heeft gedaagde inmiddels een ingeschreven Benelux-beeldmerk met daarin het woord Bruut.

 

Eisers stellen dat ze een samenwerkingsverband zijn aangegaan, die er op neerkomt dat zij dansevenementen in Onze Zaak organiseren onder de naam ‘BRUUT’, waarbij de Bruut Champagne van Bruut Concepts verkocht wordt. Nu [X] eveneens dansevenementen organiseert en daarbij gebruik maakt van dezelfde tekens, de handelsnamen ‘Bruut’ en ‘Bruut Event’ voert en de domeinnamen www.bruutevent.nl en www.bruutevent.com gebruikt, terwijl Onze Zaak en BRUUT Concepts al langer beschikken over handelsnaamrechten met het onderdeel ‘Bruut’ komt gedaagde volgens eisers in hun vaarwater. Volgens eisers is hiermee sprake van inbreuk op haar merk- en handelsnaamrechten.

 

De voorzieningenrechter stelt voorop dat gedaagde heeft toegezegd dat hij de naam ‘BRUUT’ niet meer voor evenementen in Zwolle zal gebruiken, zolang Onze Zaak de naam ‘Bruut Zwolle’ gebruikt voor haar café in Zwolle. Betreffende de gestelde merkinbreuk oordeelt de voorzieningenrechter ‘ervan uitgaande dat Investeq c.s. een spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen en voor zover het woordmerk ‘BRUUT’ al onderscheidend vermogen heeft’, dat het beroep faalt. Wat betreft art 2.20 lid sub a BVIE overweegt de rechter dat het teken dat gedaagde als merk gebruikt weliswaar het woord Bruut bevat, maar dat hierachter een uitroepteken staat met daaromheen een krul. Er zijn volgens de voorzieningenrechter dus duidelijke verschillen tussen het merk en het teken.

 

Het merk en het teken stemmen volgens de voorzieningenrechter wel met elkaar overeen als bedoeld in artikel 2.20 lid 1 sub b BVIE. Eisers hebben volgens de voorzieningenrechter echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat merk en teken in het economisch verkeer voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten worden gebruikt.  Uit de door eisers overgelegde stukken kan volgens de voorzieningenrechter alleen worden afgeleid dat in Onze Zaak een Oud & Nieuwfeest is georganiseerd en dat er een feest heeft plaatsgehad vanwege het 1-jarig bestaan van het café. Het organiseren van enkele feesten is echter onvoldoende voor de voorzieningenrechter om tot het oordeel te komen dat Onze Zaak dansevenementen organiseert. Het enkele feit dat het door gedaagde gebruikte merk in dezelfde klasse is ingeschreven als het merk van Investeq is daartoe evenmin voldoende. Dit geldt naar het oordeel van de rechter des te meer nu eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is  van verwarringsgevaar. Hierbij is relevant dat niet aannemelijk is geworden dat partijen het beeldmerk en het woordmerk voor dezelfde of soortgelijke diensten gebruiken, gedaagde heeft toegezegd de naam Bruut in Zwolle niet meer te gebruiken en dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat eisers ook buiten Zwolle actief zijn op het gebied van het organiseren van dansevenementen. De vorderingen op grond van merkinbreuk worden derhalve afgewezen.

 

Eisers hebben voorts gesteld dat gedaagde inbreuk maakt op de handelsnaamrechten van BRUUT Concepts en Onze Zaak. De voorzieningenrechter overweegt echter dat van het voeren van de handelsnaam BRUUT Concepts geen sprake is. Met betrekking tot de handelsnaamrechten van Onze Zaak overweegt de voorzieningenrechter dat voldoende aannemelijk is geworden dat Onze Zaak naam Bruut Zwolle vanaf haar oprichting in juli 2015 naar het publiek toe gebruikt als aanduiding van de door haar gedreven onderneming. Gedaagde heeft echter voldoende aannemelijk gemaakt dat hij voor juli 2015 op verschillende plaatsen in Nederland diverse dansevenementen heeft georganiseerd en dat hij daarbij naar het publiek toe, bij de evenementen zelf maar ook via zijn websites en via social media, gebruik heeft gemaakt van de aanduiding ‘Bruut(!)’ en aldus in het economisch verkeer landelijk – en dus ook in Zwolle – de handelsnaam ‘Bruut’ heeft gevoerd. Dit betekent volgens de voorzieningenrechter dat gedaagde oudere rechten op die handelsnaam heeft dan Bruut Zwolle. De voorzieningenrechter meldt nog dat ook indien dit niet het geval zou zijn, het beroep van eisers op artikel 5 Hnw niet zou slagen omdat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat er als gevolg van het gebruik van de betreffende handelsnaam verwarring te duchten is. Ook de vorderingen op grond van het handelsnaamrecht worden derhalve afgewezen. Eisers worden veroordeeld in de proceskosten in conventie, aan de zijde van gedaagde begroot op € 15.287,00.

 

Gedaagde heeft zich in reconventie nog beroepen op oudere rechten van plaatselijke betekenis in de zin van artikel 2.23 lid 2 BVIE, waarop eiser inbreuk zouden maken. Gedaagde beroept zich daarbij niet alleen op oudere handelsnaamrechten, maar ook op artikel 6:162 BW. Wat dit laatste betreft voert hij aan dat hij de aanduiding ‘BRUUT!’ vanaf april 2012 ook als onderscheidingsteken is gaan gebruiken en dat hij het recht heeft op te treden tegen navolging van overeenstemmende namen/tekens, ten gevolge waarvan verwarringsgevaar te duchten is met zijn onderscheidingstekens. De voorzieningenrechter stelt echter dat nergens uit blijkt dat Gedaagde naar het publiek toe de handelsnaam Bruut voerde of gebruikte als onderscheidingsteken vóórdat het merk van eisers werd gedeponeerd. De stelling van gedaagde dat hij over oudere rechter ex artikel 6:162 BW beschikt gaat volgens de rechter dus niet op. De voorzieningenrechter stelt bovendien dat hier overigens ook hier geen sprake is van verwarringsgevaar. De vorderingen in reconventie worden derhalve ook afgewezen.  Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten in reconventie, aan de zijde van eisers begroot op € 2.250,00.

 

IEPT20170509, Rb Overijssel, Investeq

 

ECLI:NL:RBOVE:2017:2004