Merk ten onrechte gedeeltelijk nietig verklaard nu oudere teken niet normaal werd gebruikt ten tijde van nietigheidsvordering

Print this page 04-12-2017
IEPT20170921, GEU, Repsol YPF v EUIPO

Merkenrecht. Repsol (verzoekster) verzocht EUIPO in 2007 onderstaand beeldteken als merk te registreren:

Het merk werd in 2009 geregistreerd voor onder andere diens waren en diensten in de klasse 35 (o.a. commerciële tabaksverkoop en batterijen) en 39 (o.a. distributie van basisvoedingsmiddelen, tabak en batterijen). Interveniënt, Basic AG Lebensmittelhandel, vorderde (op 26 september 2011) gedeeltelijke nietigheid van het merk op grond van het Duitse Unternehmenskennzeichen “Basic” en “Basic AG”. Het merk werd vervolgens in 2013 door de Oppositie Afdeling nietig verklaard voor zover het merk geregistreerd was voor de waren en diensten: detailhandel in voedingsmiddelen, apotheekartikelen, organische en andere consumentenproducten en restaurantdiensten. Deze beslissing werd in 2015 door de kamer van beroep van het EUIPO bevestigd. In zijn beroep bij het Gerecht beroept verzoekster zich erop dat de kamer van beroep het bewijs van de interveniënt met betrekking tot het gebruik van de tekens basic en basic AG in het Duitse economische verkeer onjuist heeft beoordeeld. Het beroep wordt toegewezen.

 

In onderhavige zaak heeft de interveniënt voldoende bewezen dat zij Basic en Basic AG in het Duitse economische verkeer gebruikte op de datum van registratieaanvraag. Echter, geen enkel van de door interveniënt aangevoerde bewijsstukken voldoet aan het vereiste dat deze tekens ook door intervenieert werden gebruikt op de datum van het instellen van de vordering tot nietigverklaring. Geen van deze bewijsstukken heeft betrekking op de jaren na 2006, behalve een beëdigde verklaring van iemand die in een professionele relatie staat tot de interveniënt. Deze verklaring wordt daarom niet even betrouwbaar en geloofwaardig geacht als een verklaring van een derde partij of een persoon die geen enkele connectie heeft met de partijen in kwestie en is op zichzelf onvoldoende bewijs. De kamer van beroep van het EUIPO kon niet op basis van het aangevoerde bewijs van interveniënt concluderen dat aan het vereiste normale gebruik van de tekens in het economisch verkeer is voldaan.

 

“64 However, that affidavit was made by someone who is professionally linked to the intervener. It cannot therefore be as reliable and credible as a declaration made by a third party or a person who is unconnected with the company in question. That affidavit is insufficient in itself and merely provides an indication which must be confirmed by further probative evidence (see, to that effect, judgment of 16 May 2013, Reber v OHIM — Klusmeier (Wolfgang Amadeus Mozart PREMIUM), T530/10, not published, EU:T:2013:250, paragraph 36). Yet such evidence is entirely lacking in the present case in relation to the years after 2006 and, most particularly, the year 2011. In that respect, it should be noted that EUIPO’s assertion, made with reference to paragraph 33 of the contested decision, to the effect that the information in the affidavit in relation to the turnover and advertising expenditure is corroborated by the intervener’s annual reports, which are approved by external accountants, is misleading. The annual reports provided by the intervener in annex to its application for a declaration of invalidity of 26 September 2011 related only to 2004, 2005 and 2006, that is to say a period long before 2011.”

 

T-609/15 - ECLI:EU:T:2017:640