Aangevraagd Uniemerk ‘Klosterstoff’ zowel beschrijvend als misleidend

Print this page 06-12-2017
IEPT20171026, GEU, Alpirsbacher Klosterbräu Glauner v EUIPO

Merkenrecht. Beroep tegen de beslissing om inschrijving van het Uniemerk Klosterstoff voor waren uit klasse 32 (bier en brouwerijproducten; shandy, niet-alcoholische dranken, met name alcoholvrij bier; preparaten voor het bereiden van dranken) en 33 (alcoholische dranken, uitgezonderd bier) af te wijzen. Het merk werd geweigerd op grond van artikel 7(1)(b), (c) en (g) van de Gemeenschapsmerkenverordening. 

 

Het beroep faalt. De Kamer van Beroep heeft terecht geoordeeld dat de samentrekking ‘kloster’ en ‘stoff’ door de gemiddelde consument wordt begrepen als verwijzing naar waren die van een klooster afkomstig zijn en alcohol bevatten. Ook omdat het woordteken geen ongebruikelijke structuur heeft ten aanzien van het Duits is terecht geoordeeld dat het teken beschrijvend is in de zin van 7(1)(c) van verordening nr. 207/2009. Toetsing van het tweede middel dat zag op het onderscheidend vermogen (artikel 7(1)(b)) is niet zinvol, aangezien al vaststaat dat het merk beschrijvend is in de zin van artikel 7(1)(c) Gemeenschapsmerkenverordening. 

 

De Kamer van Beroep heeft terecht geoordeeld dat het aangevraagde merk misleidend is in de zin van artikel 7(1)(g) . De gemiddelde consument zal het woord ‘stoff’ in verband brengen met alcohol, hetgeen een misleidende aanduiding is wanneer zoals hier ook aangevraagd wordt gebruikt voor niet-alcoholische dranken. Dat de samenstelling van de dranken wordt aangegeven op de waren doet hieraan niet af. De volledige afwijzing van de merkinschrijving door het EUIPO is gerechtvaardigd, ook al is het niet voor alle aangeduide waren misleidend. 

 

“44. Gelet op de in het kader van het eerste middel geformuleerde overwegingen, dient te worden ingestemd met het standpunt van de kamer van beroep dat de gemiddelde consument het woord „stoff” in verband zal brengen met alcohol. Bijgevolg heeft de kamer van beroep terecht geoordeeld dat het aangevraagde merk een misleidende aanduiding was wanneer het werd gebruikt voor niet-alcoholische dranken.
45. Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat – zoals verzoekster stelt – de samenstelling van deze dranken op deze waren wordt aangegeven. Ten eerste zou, wanneer dit betoog wordt gevolgd, het misleidende karakter van het merk voor de gemiddelde consument slechts worden weggenomen bij het lezen van het etiket waarop de ingrediënten van deze dranken worden vermeld. Anders dan verzoekster stelt, kan dus niet zonder meer worden aangenomen dat de consument zich ervan bewust zal zijn dat deze dranken geen alcohol bevatten. Zoals het EUIPO benadrukt, kan er voor de consument immers aanleiding bestaan om deze waren inderhaast te kopen, zonder de tijd te nemen om de tekst op de verpakking te analyseren. Ten tweede blijkt uit de rechtspraak dat de mogelijkheid die de consument wordt geboden om op het etiket na te gaan welke ingrediënten bij de productie van een drank worden gebruikt, er op zich niet aan in de weg staat dat het merk dat deze waren aanduidt misleidend is [zie in die zin arrest van 19 november 2009, Torresan/BHIM – Klosterbrauerei Weissenohe (CANNABIS), T‑234/06, EU:T:2009:448, punt 43].”

 

T-844/16 – ECLI:EU:T:2017:759