Geen verwarringsgevaar tussen woordmerken van makelaars Domicilie en Domica
27-11-2017 Print this pageGeen verwarringsgevaar tussen woordmerken DOMICILIE van makelaarskantoor en DOMICA van franchiseorganisatie op het gebied van makelaardij: DOMICILIE komt geen groot onderscheidend vermogen toe nu het in enige mate beschrijvend is, diensten zijn weliswaar soortgelijk, sprake van hoog aandachtsniveau bij het relevante publiek wegens aanzienlijke financiële gevolgen, enige visuele overeenstemming wordt ongedaan gemaakt door auditieve en begripsmatige verschillen waardoor totaalindruk verschilt. Beroep op handelsnaamrecht hierdoor eveneens afgewezen: ook hiervoor is verwarringsgevaar vereist.
MERKENRECHT - HANDELSNAAMRECHT
Eiseres is een makelaarskantoor dat gebruikt maakt van de handelsnamen Domicilie Ede, Domicilie Exclusief en Domicilie Bedrijfshuisvesting en houdster is van het woordmerk DOMICILIE. Gedaagde is een franchise-organisatie op het gebied van het verhuren, verkrijgen, vervreemden, beheren, exploiteren en huren van onroerende zaken en andere registergoederen, gebruikt de handelsnamen Domica B.V. en Domica Nederland gebruikt, en is houder van het woordmerk Domica. Eiseres vordert samengevat dat de rechtbank gedaagde beveelt inbreuk op haar merkenrecht en handelsnaamrecht te staken, en de nietigheid uitspreekt van het woordmerk DOMICA.
De rechtbank wijst de vorderingen echter af wegens het ontbreken van verwarringsgevaar. Het woordmerk DOMICILIE komt volgens de rechtbank geen groot onderscheidend vermogen toe nu het in enige mate beschrijvend is. Het komt volgens de rechtbank namelijk volledig overeen het bestaande Nederlands woord “domicilie”, dat “vaste verblijfplaats” of “wettelijke woonplaats” betekent hetgeen “in enig opzicht” refereert aan het doel van haar diensten, namelijk het vinden van een nieuwe vaste verblijfplaats voor haar cliënten. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat sprake is van een hoog aandachtsniveau bij het relevante publiek nu het aangaan van een huur- of koopovereenkomst met betrekking tot een onroerend goed een beslissing is met aanzienlijke financiële gevolgen.
Aangekomen bij de mate van overeenstemming tussen beide merken is naar het oordeel van de rechtbank sprake van enige visuele overeenstemming, maar wordt deze opgeheven door de auditieve en begripsmatige verschillen. In het kader van het laatstgenoemde criteria overweegt de rechtbank dat het relevante publiek de betekenis van het woord “domicilie” zal kennen, terwijl “domica” als fantasiewoord wordt beschouwd. Beide woorden zullen naar het oordeel van de rechtbank dus anders worden begrepen. Volgens de rechtbank is de totaalindruk van beide merken verschillend en is hierdoor - mede gelet op het beperkte onderscheidend vermogen van het merk DOMICILIE en het hoge aandachtsniveau van het relevante publiek – geen sprake van verwarringsgevaar. Het feit dat de diensten van partijen soortgelijk zijn (“Dat de ene partij zich meer richt op verkoop en de andere meer op verhuur is onvoldoende om de diensten te verschillend te achten”), leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een andere conclusie. Het beroep van eiseres op het handelsnaamrecht wordt eveneens afgewezen nu verwarringsgevaar ook hier een vereiste is.
IEPT20171115, Rb Midden-Nederland, Domicilie v Domica