Foodhall Mout gebruikt het teken MOUT ondanks plaatsing op gevel niet als merk

29-11-2017 Print this page
IEPT20171127, Rb Midden-Nederland, Foodhall Mout
(Met dank aan Marcel de Zwaan, Corstiaan Kan en Midas Dujardin, Bremer & De Zwaan)

Foodhall Mout maakt geen inbreuk op het Benelux woordmerk MOUT van Proeflokaal Mout: geen inbreuk ex art 2.20 lid 1 sub b BVIE nu onvoldoende aannemelijk is dat Foodhall Mout het teken MOUT niet alleen als handelsnaam maar ook als merk gebruikt, omstandigheid dat op de foodhall groot ‘MOUT’ is aangebracht maakt dit niet anders, daarnaast is geen sprake van inbreuk ex art 2.20 lid 1 sub d BVIE (gebruik anders dan ter onderscheiding van waren of diensten) nu Foodhall Mout zich kan beroepen op voorgebruik.

 

MERKENRECHT - HANDELSNAAMRECHT

 

Kort geding. Eiseres exploiteert onder de naam Proeflokaal Mout een horecazaak in Groningen en is houder van het Benelux woordmerk MOUT, dat op 1 maart 2017 ingeschreven. In mei 2017 is in Hilversum de Foodhall Mout geopend, waarin een aantal restaurants, een café en een bierbrouwerij zijn gevestigd. Volgens eiseres is hierdoor sprake van merkinbreuk ex artikel 2.20 lid s sub b BVIE.

 

De voorzieningenrechter oordeelt echter dat voor een succesvol beroep op dit artikel noodzakelijk is dat voldoende aannemelijk is dat Foodhall Mout het teken MOUT ook als merk gebruikt. Foodhall Mout heeft ter zitting nadrukkelijk aangevoerd dat zij de naam ‘MOUT’, merendeels in combinatie met het woord ‘Foodhall’ uitsluitend ter aanduiding van haar onderneming en dus als handelsnaam gebruikt, en dus niet als onderscheidingsteken voor haar diensten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft eiseres niets aangevoerd dat tot de conclusie zou kunnen leiden dat het publiek de handelsnaam Foodhall Mout in feite opvat als gebruik als merk. Reeds hierom kan het beroep van op artikel 2.20 lid 1 sub b BVIE naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet slagen.

 

De omstandigheid dat op de foodhall groot MOUT is aangebracht, maakt dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders nu het plaatsen van een op de gevel volgens de voorzieningenrechter een veel voorkomende wijze van het tot uitdrukking brengen van de handelsnaam is.

 

De voorzieningenrechter overweegt dat ook een beroep op artikel 2.20 lid 1 sub d eiseres - voor zover zij hier een beroep op doet - niet kan baten. Volgens de voorzieningenrechter heeft Foodhall Mout met een beroep op door haar overgelegde nieuwsberichten, informatie over haar website, social media en reclame- en marketinguitingen, voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van het gebruik van de handelsnaam Foodhall Mout vóór de datum van het depot (29 november 2016) van het woordmerk. De omstandigheid dat de onderneming Foodhall Mout pas per 1 december 2016 is ingeschreven in het register van de KvK en de bewuste locatie op 9 mei 2017 werd geopend voor het publiek maakt dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders.

 

De vorderingen worden op grond van het bovenstaande afgewezen. Eiseres wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten ex art. 1019h Rv. Foodhall Mout heeft haar advocaatkosten begroot op € 8.060. De voorzieningenrechter oordeelt echter dat het geschil redelijk eenvoudig van aard is, en acht een bedrag van € 5.000 een redelijk en evenredig bedrag voor de advocaatkosten.

 

IEPT20171127, Rb Midden-Nederland, Foodhall Mout

 

(kopie uitspraak)