Nederlandse deel EP 371 vernietigd bij ontbreken verweer, tot en met dagvaarding gemaakte kosten vallen onder bereik 1019h

24-04-2018 Print this page
IEPT20180411, Rb Den Haag, Acteon v Durr Dental

Nederlandse deel EP 371 vernietigd: Dürr Dental heeft in CvA heeft aangegeven Nederlandse deel EP 371 niet te willen verdedigen. Dürr Dental als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten nu betoog dat deze nodeloos zijn veroorzaakt wordt verworpen: Acteon hoefde er niet vanuit te gaan dat van een aan de dagvaarding voorafgaande sommatie enig nut kon worden verwacht, omstandigheid dat Acteon na uitbrengen dagvaarding niet wilde meewerken aan intrekking octrooi maakt dit niet anders nu Dürr Dental niet bereid was gemaakte kosten te vergoeden. Tot en met dagvaarding gemaakte kosten (ruim € 60.000) vallen onder bereik artikel 1019h Rv: 1019h Rv alleen van toepassing op nietigheidsprocedure als sprake is van vooruitgeschoven niet-inbreukverweer, hiervan is sprake nu voldoende concrete dreiging was van handhaving in Nederland.  Voor kosten die na dagvaarding zijn gemaakt geldt liquidatietarief: verdere debat slechts op proceskosten, daarmee gemoeide kosten vallen blijkens HR Wieland v GIA (IEPT20160603) buiten bereik 1019h Rv. 

 

OCTROOI - IE-HANDHAVING

 

Eiser Acteon houdt zich bezig met de verhandeling van onder meer diagnostische apparatuur voor de tandheelkundige markt. Dürr Dental biedt eveneens producten voor tandheelkundige toepassingen aan. Zij is houdster van het Europees octrooi EP 371 voor een ‘device for reading exposed phosphor sheets’. Acteon vordert vernietiging van het Nederlandse deel van het octooi. Dürr Dental heeft in haar conclusie van antwoord aangegeven dat zij het Nederlandse deel van EP 371 niet wenst te verdedigen waardoor de rechtbank de vordering als niet weersproken toewijst.

 

Dürr Dental wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, nu haar betoog dat deze nodeloos zijn veroorzaakt wordt verworpen. Volgens de rechtbank hoefde Acteon er gelet op de omstandigheden van het geval (in Duitsland had Dürr Dental op de door Acteon geformuleerde geldigheidsbezwaren direct gereageerd met een inbreukprocedure) niet vanuit te gaan dat van een aan de dagvaarding voorafgaande sommatie enig nut kon worden verwacht.  Het verwijt dat Acteon na het uitbrengen van de dagvaarding niet heeft willen meewerken aan intrekking van het Nederlandse deel van EP 371 kan Dürr Dental evenmin baten, nu volgens de rechtbank vaststaat dat Dürr Dental niet bereid was de tot dat moment door Acteon gemaakte proceskosten geheel of gedeeltelijk te vergoeden. Hiermee hield Acteon een belang bij een uitspraak.

 

De rechtbank oordeelt dat de tot en met de dagvaarding gemaakt kosten (ruim € 60.000) onder het bereik artikel 1019h Rv vallen. De rechtbank overweegt dat artikel 1019h Rv niet van toepassing op een nietigheidsprocedure,  tenzij deze procedure te beschouwen is als een verweer tegen een inbreukactie of tegen een dreigende inbreukactie. Hiervan is volgens de rechtbank in dit geval sprake, nu er (voldoende) concrete dreiging van handhaving in Nederland bestond.  Voor de na de dagvaarding gemaakt kosten wordt echter het liquidatietarief toegepast. Nu Dürr Dental in haar CvA meteen te kennen heeft gegeven het Nederlandse deel van EP 371 niet te willen verdedigen is het verdere debat volgens de rechtbank alleen nog maar gericht geweest op het verkrijgen van een proceskostenveroordeling. De rechtbank overweegt dat de daarmee gemoeide kosten blijkens HR Wieland v GIA (IEPT20160603) buiten het bereik van artikel 1019h Rv vallen.

 

IEPT20180411, Rb Den Haag, Acteon v Dürr Dental

 

ECLI:NL:RBDHA:2018:4591