Uit afspraken niet af te leiden dat na beëindiging samenwerking sprake was van concurrentie- en/of relatiebeding

29-05-2018 Print this page
IEPT20180425, Rb Overijssel, Consens-us v Consens-us Service Onderhoud

Uit afspraken partijen niet af te leiden dat gedaagde na beëindiging van samenwerking aan concurrentie- en/of relatiebeding gebonden is. Ook indien sprake zou zijn van rechtsgeldig concurrentie- en/of relatiebeding is schending daarvan niet te beoordelen: uit overgelegde e-mails niet op te maken dat gedaagde personen actief heeft benaderd met oogmerk hen ertoe te bewegen om naar zijn eenmanszaak over te stappen. (Huidige) tekst website biedt onvoldoende aanknopingspunten voor conclusie dat gedaagde zich als opvolger of vertegenwoordiger van de vof presenteert.

 

ONEERLIJKE CONCURRENTIE

 

Eiser heeft op 1 januari 2006 samen met [A] de vof Consens-us opgericht, die zich bezig houdt met de verkoop van waterbehandelingsapparatuur en het onderhoud daarvan. Nadat [A] de samenwerking met eiser heeft opgezegd, heeft zij haar werkzaamheden binnen de vof in januari 2018 feitelijk beëindigd. Per 1 januari 2016 hebben de vof en gedaagde afspraken gemaakt over uitbesteding/”verkoop” van een deel van de bedrijfsactiviteiten van de vof aan gedaagde,  welke activiteiten gedaagde heeft uitgevoerd onder de naam van Consens-us Service en Onderhoud. Hiertoe zijn (concept) afspraken gemaakt. De overeenkomst en samenwerking is door gedaagde per 19 januari 2018 opgezegd. Eiser stelt nu dat gedaagde onrechtmatig handelt doordat hij nadat de samenwerking was opgezegd, in strijd met de afspraken met gebruik  van het klantenbestand van de vof klanten van de vof stelselmatig en actief benadert en aan hen aanbiedt de service en het onderhoud aan de waterbehandelingsinstallaties te doen. De vorderingen worden afgewezen.

 

De voorzieningenrechter oordeelt dat uit de afspraken niet af te leiden valt dat gedaagde na beëindiging van de samenwerking gedurende een bepaalde termijn en in een geografisch bepaald gebied aan een concurrentie- en/of relatiebeding gebonden is. Bovendien geldt dat is nagelaten het klantenbestand van de vof in het geding te brengen, waardoor het niet kan worden beoordeeld of en, zo ja, welke klanten van de vof door gedaagde na 19 januari 2018 actief zouden zijn benaderd. En voor zover er al een rechtsgeldig concurrentie- en/of relatiebeding bestaat is uit de overgelegde e-mails niet op te maken dat gedaagde personen actief heeft benaderd met het oogmerk hen ertoe te bewegen om naar zijn eenmanszaak over te stappen. Ten slotte wordt geoordeeld dat de (huidige) tekst van de website van gedaagde onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat gedaagde zich als opvolger of vertegenwoordiger van de vof presenteert biedt.

 

IEPT20180425, Rb Overijssel, Consens-us v Consens-us Service Onderhoud

 

ECLI:NL:RBOVE:2018:1753