Verzoekster niet-ontvankelijk verklaard vanwege ontbreken rechtsgevolg voor het merk
04-09-2018 Print this page
Merkenrecht. Beroep tegen beslissingen van de Kamer van Beroep inzake nietigheidsprocedures tussen C5 Medical Werks en CeramTec waarin verzoekster, CeramTec, niet-ontvankelijk werd verklaard, omdat de beslissingen van de nietigheidsafdeling verzoekster in het gelijk hadden gesteld.
Het beroep faalt. De redenering van Ceramtec dat zij belang heeft bij de voortzetting van de nietigheidsprocedures omwille van de parallelle procedures voor de nationale rechters is in strijd met de vaste rechtspraak dat het belang bij nietigverklaring van de bestreden handeling bestaand en daadwerkelijk moet zijn. De vernietiging van de beslissingen van de nietigheidsafdeling zou immers niet noodzakelijk tot een gunstige beslissing ten gronde over de geldigheid van de litigieuze merken hebben geleid, zodat verzoekster zich op een belang beroept dat een toekomstige en onzekere rechtssituatie betreft.
Ook het argument van verzoekster dat interveniënte misbruik maakt van de procedure door in een vergevorderd stadium haar vordering in te trekken, houdt geen stand. Voor het instellen van een op een absolute nietigheidsgrond gebaseerde vordering tot nietigverklaring is niet vereist dat een procesbelang wordt aangetoond, daar de absolute weigeringsgronden de bescherming beogen van het algemene belang dat eraan ten grondslag ligt. Het potentiële of daadwerkelijke economische belang dat wordt nagestreefd door degene die nietigverklaring vordert is hierdoor irrelevant en dus kan er ook geen sprake zijn van rechtsmisbruik in het kader van een nietigheidsprocedure door laatstgenoemde.
“23. In de punten 12 en 14 van de bestreden beslissingen heeft de kamer van beroep terecht geoordeeld dat de beslissingen waarbij de nietigheidsafdeling de nietigheidsprocedures heeft afgesloten, verzoekster geen nadeel hebben toegebracht, aangezien de litigieuze merken in het register van het EUIPO ingeschreven bleven. Het is ook terecht dat de kamer van beroep heeft geoordeeld dat de zaken door de intrekking van de vorderingen tot nietigverklaring zonder voorwerp waren geworden en dat het daarom niet meer nodig was uitdrukkelijk uitspraak te doen over de afwijzing van de vorderingen.”