Hoger beroep Birkenstock tegen gedeeltelijke weigering van patroon als vormmerk verworpen

Print this page 13-09-2018
IEPT20180913, HvJEU, Birkenstock v EUIPO

Gerecht heeft terecht geoordeeld dat rechtspraak inzake vormmerken die samenvallen met de verschijningsvorm van de waar zelf - die alleen onderscheidend vermogen hebben indien deze op significante wijze afwijken van de norm of van wat gangbaar is in de betrokken sector - van toepassing is op het door Birkenstock aangevraagde vormmerk: deze rechtspraak is ook van toepassing wanneer het aangevraagde merk bestaat uit een patroon dat is toegepast op (een deel van) het oppervlak van de waar, gelet op intrinsieke kenmerken – een reeks elementen die op regelmatige wijze worden herhaald – is waarschijnlijk dat het teken wordt gebruikt als oppervlaktepatroon en dus samenvalt met de verschijningsvorm van de betrokken waren.

 

MERKENRECHT

 

Geschil omtrent de gedeeltelijke weigering van het afgebeelde beeldmerk van Birkenstock. Het Hof overweegt onder verwijzing naar haar eigen rechtspraak dat de perceptie van de gemiddelde consument in het geval van een driedimensionaal merk bestaande in de verschijningsvorm van de waar zelf, niet noodzakelijk dezelfde is als bij een woord of beeldmerk dat bestaat in een van het uiterlijk van de waar onafhankelijk teken. De gemiddelde consument is immers niet gewend om de herkomst van de waar bij gebreke van enig grafisch of tekstueel element af te leiden uit de vorm ervan of uit die van de verpakking, en in het geval van een dergelijk driedimensionaal merk zou het dus moeilijker kunnen zijn om het onderscheidend vermogen vast te stellen dan in het geval van een woord- of beeldmerk. Het Gerecht heeft dus terecht overwogen dat een dergelijk merk alleen onderscheidend vermogen heeft indien het op significante wijze afwijkt van de norm of van wat gangbaar is in de betrokken sector. Deze rechtspraak is ook van toepassing wanneer het aangevraagde merk een teken is bestaande in een patroon dat is toegepast op het oppervlak van een waar en ook wanneer slechts een deel van de aangeduide waar door een merk wordt weergegeven.

 

Het Gerecht heeft geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door - met het oog op de toepassing van de rechtspraak inzake driedimensionale merken die samenvallen met de verschijningsvorm van de waar - het criterium te hanteren dat het gebruik van het litigieuze teken als oppervlaktepatroon “mogelijk” en “niet weinig waarschijnlijk” is gelet op de aard van de betrokken waren. Gelet op de intrinsieke kenmerken van het afgebeelde teken, dat wordt gevormd door een reeks elementen die op regelmatige wijze worden herhaald, en gelet op de aard van de betrokken waren ,is het teken naar het oordeel van het hof immers in beginsel voorbestemd om op het oppervlak van die waren te worden aangebracht. Het is eigen aan een teken bestaande in een repetitieve sequentie van elementen dat het waarschijnlijk wordt gebruikt als oppervlaktepatroon en dat het dus samenvalt met de verschijningsvorm van de betrokken waren, zo overweegt het hof.

 

IEPT20180913, HvJEU, Birkenstock v EUIPO

 

ECLI:EU:C:2018:714 - C26/17 P