Stokke vormmerk nietig

Print this page 06-02-2019
IEPT20190205, Hof Amsterdam, Hauck v Stokke
(Met dank aan Gregor Vos en Sjo Anne Hoogcarspel, Brinkhof)

Stokke vormmerk terecht nietig verklaard: weigeringsgrond van artikel 3(1) sub e(i) Merkenrichtlijn 2008 (aard van de waar) van toepassing, nu (strakke) vormgeving en aantrekkelijk uiterlijk kinderstoel (met name gebruik schuine staanders waarin alle elementen van de stoel zijn verwerkt en (cursieve) L-vorm van de staanders en liggers) in hoge mate bepalend is voor de gebruikskenmerken van de kinderstoel (veilig, deugdelijk, confortabel, ergonomisch en pedagogisch verantwoord). Sprake van teken dat uitsluitend bestaat uit de vorm van een kinderstoel, met wezenlijke gebruikskenmerken die inherent zijn aan de generieke functies van de kinderstoel en waarnaar de consument mogelijkerwijs in de waren van concurrenten zoekt, oftewel een vorm die door de aard van de waar wordt bepaald als bedoeld in art. 2.1 lid 2 BVIE.

 

MERKENRECHT

 

Arrest inzake de zogenoemde Tripp Trapp-stoel. Vervolg op het arrest van de Hoge Raad van 27 november 2015 (IEPT20151127), waarin de Hoge Raad na beantwoording van zijn prejudiciële vragen door het HvJEU (zie IEPT20140918) het arrest van het hof Den Haag (IEPT20110531) vernietigde. Het hof Den Haag had blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vormuitsluitingsgronden te combineren en diende te onderzoeken of hetzij de ene grond, hetzij de andere, hetzij beide vormuitsluitingsgronden volledig van toepassing zijn.

 

Het Hof Amsterdam is van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 3(1) sub e(i) Merkenrichtlijn (aard van de waar) van toepassing is. Het hof omschrijft de constructie van de kinderstoel en concludeert dat deze zorgt voor een kinderstoel die veilig, deugdelijk en confortabel is, en daarom voor het gebruik als zodanig in ergonomisch en pedagogisch opzicht verantwoord is. Het is niet in geschil dat de Tripp Trapp-stoel door zijn (strakke) vormgeving een aantrekkelijk uiterlijk heeft en dat deze vorm voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt. Het zijn volgens het hof juist deze aspecten van de vormgeving van de stoel die in hoge mate bepalend zijn voor de hierboven beschreven gebruikskenmerken en die de stoel zo geschikt maken voor zijn functie als kinderstoel. Hierdoor kan niet gezegd worden dat het hier om (louter) sier- of fantasie-elementen gaat, of om enig niet aan de generieke functie van de stoel inherent sier-elementen dat een belangrijke of wezenlijke rol speelt in de vormgeving van de stoel. Er is dus sprake van een teken dat uitsluitend bestaat uit de vorm van een kinderstoel, met wezenlijke gebruikskenmerken die inherent zijn aan de generieke functies van de kinderstoel en waarnaar de consument mogelijkerwijs in de waren van concurrenten zoek, dus een vorm die door de aard van de waar wordt bepaald als bedoeld in artikel 2.1(2) BVIE.

 

Het merk is daarom terecht nietig verklaard door de rechtbank. Het bestreden vonnis wordt in zoverre bekrachtigd.

 

De IEPT-versie volgt.

 

ECLI:NL:GHAMS:2019:262