Geen inschrijving als kleurmerk van teken dat wordt weergegeven door tekening in kleur met afgebakende omtreklijnen

Print this page 28-03-2019
IEPT20190327, HvJEU, Hartwall

Door aanvrager bij inschrijving aan een teken gegeven kwalificatie als “kleurmerk” of “beeldmerk” is een van de relevante elementen voor de beoordeling of dit teken een merk kan vormen in de zin van artikel 2 van deze richtlijn en of dit teken onderscheidend vermogen heeft in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van deze richtlijn. Merkenrechtelijke autoriteit verplicht om over te gaan tot een concrete en globale analyse van het onderscheidend vermogen van het betrokken merk: autoriteit kan inschrijving van teken als merk niet weigeren op loutere grond dat dit teken geen onderscheidend vermogen heeft verkregen door het gebruik dat ervan is gemaakt voor de geclaimde waren of diensten, bij combinatie van abstract en contourloos aangeduide kleuren dient te worden onderzocht of – en in welke mate – de kleurencombinatie die een systematische schikking bevat in staat is om het betrokken teken intrinsiek onderscheidend vermogen te verlenen. Inschrijving als kleurmerk van teken dat wordt weergegeven door tekening in kleur met afgebakende omtreklijnen, maar wordt omschreven als kleurmerk dient te worden geweigerd wegens tegenstrijdigheid in de inschrijvingsaanvraag.

 

MERKENRECHT

 

Hartwall heeft het Finse nationale bureau voor de intellectuele eigendom verzocht om inschrijving als kleurmerk van het hieronder weergegeven teken. Naar aanleiding van een tussenbeslissing van het bureau heeft Hartwall aangegeven dat zij inschrijving van het merk als “kleurmerk” verzoekt en niet als beeldmerk. De merkaanvraag is afgewezen wegens het ontbreken van onderscheidend vermogen. De verwijzende rechter wijst erop dat naar zijn weten het Hof nog geen uitspraak heeft gedaan over de vraag of een teken dat wordt voorgesteld door middel van een tekening in kleur, vatbaar is voor inschrijving als “kleurmerk” en heeft een aantal prejudiciële vragen gesteld. Deze vragen worden als volgt beantwoord.

 

 

"1) Artikel 2 en artikel 3, lid 1, onder b), van richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten moeten aldus worden uitgelegd dat de door de aanvrager bij inschrijving aan een teken gegeven kwalificatie als „kleurmerk” of „beeldmerk” een van de relevante elementen vormt voor de beoordeling of dit teken een merk kan vormen in de zin van artikel 2 van deze richtlijn en of, in voorkomend geval, dit teken onderscheidend vermogen heeft in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van deze richtlijn, maar dat deze kwalificatie de bevoegde merkenrechtelijke autoriteit niet ontheft van haar verplichting om over te gaan tot een concrete en globale analyse van het onderscheidend vermogen van het betrokken merk, hetgeen betekent dat die autoriteit de inschrijving van een teken als merk niet kan weigeren op de loutere grond dat dit teken geen onderscheidend vermogen heeft verkregen door het gebruik dat ervan is gemaakt voor de geclaimde waren of diensten.

 

2) Artikel 2 van richtlijn 2008/95 moet aldus worden uitgelegd dat het in omstandigheden als die in het hoofdgeding in de weg staat aan de inschrijving van een teken als merk wegens het bestaan van een tegenstrijdigheid in de inschrijvingsaanvraag, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan."

 

IEPT20190327, HvJEU, Hartwall

 

C578/17 - ECLI:EU:C:2019:261