Non-concurrentiebeding voor bepaalde tijd niet rechtsgeldig door generieke motivering zwaarwegende belangen

Print this page 09-07-2019
IEPT20190507, Hof Den Bosch, Machinehandel

Non-concurrentiebeding in arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet rechtsgeldig: gebruik gemaakt van generieke motivering van zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen die wordt gebruikt voor alle commerciële functies van appellante, die niet strookt met door wetgever gewenste specifieke afweging en motivering per geval.

 

CONCURRENTIEBEDING

 

Kort geding. Hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Bosch van 7 mei 2019. Geïntimeerde is op 1 augustus 2017 met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (één jaar) bij appellante in dienst getreden in de functie van medewerker commerciële binnendienst. In zijn overeenkomst is een non-concurrentiebeding en een relatiebeding opgenomen. In de overeenkomst is zwaarwegende belang dat de werkgever bij het non-concurrentiebeding en het relatiebeding heeft als volgt gemotiveerd:

 

“15.1 Werknemer erkent dat, gelet op de functie van werknemer, er een zwaarwegend belang bestaat voor het opnemen van een concurrentie- en relatiebeding in deze overeenkomst.

15.2 Werknemer beschikt over bijzondere en bedrijfsspecifieke kennis, gegevens en vaardigheden welke, indien deze worden ingezet in strijd met artikel 15, zwaarwegende nadelige gevolgen kunnen veroorzaken voor werkgever/het bedrijf en daarmee het bedrijfsbelang. Werknemer heeft zeer veel klantcontact, beschikt over klant- en prospectgegevens, heeft inzage in prijsstelling, het marktbewerkingsplan en financiele gegevens inzake omzet, marge, winst c.q. verlies. Wanneer deze informatie bij concurrerende bedrijven terecht komt, of wordt gebruikt bij een concurrerend bedrijf, zal dit werkgever direct schaden doordat de concurrent met deze informatie prijsbeleid en marktbewerking kan afstemmen.”

 

De arbeidsovereenkomst is op verzoek van geïntimeerde per 1 juli 2018 beëindigd. Appellante vordert dat geïntimeerde zich aan het non-concurrentiebeding moet houden. De voorzieningenechter wees de vorderingen van appellante eerder af. Het vonnis wordt bekrachtigd.

 

Het hof oordeelt dat sprake is van een non-concurrentiebeding in de zin van artikel 7:653 BW, dat op grond van het tweede lid alleen mogelijk is in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd indien door de werkgever schriftelijke wordt gemotiveerd dat het beding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. Tijdens het pleidooi in hoger beroep is namens appellante verklaard dat de tekst van het non-concurrentiebeding zoals dat is opgenomen in de arbeidsovereenkomst met geïntimeerde voor alle commerciële functies binnen appellante wordt gebruikt. Deze tekst wordt verder niet toegespitst op de functie of op de persoon met wie de arbeidsovereenkomst wordt gesloten. Het hof oordeelt dat deze handelwijze niet strookt met de door de wetgever gewenste specifieke afweging en motivering per geval. Daarmee is naar het voorshands oordeel van het hof niet voldaan aan de aan artikel 7:653 lid 2 BW ten grondslag liggende bedoeling en daaruit voortvloeiende motiveringseis.

 

Appellante heeft nog betoogd dat zij niet inziet op welke wijze zij haar bedrijfsbelang(en) c.q. bescherming van haar bedrijfsdebiet ten opzichte van concurrenten, anders, of meer uitgebreid in het non-concurrentiebeding had moeten duiden. Dit betoog wordt echter verworpen, omdat hoewel kan worden toegegeven dat er concrete bedrijfsbelangen worden vermeld, de tekst zich ook leent voor generieke toepassing, hetgeen ook uit de handelswijze van appellante valt af te leiden. De motivering van het concurrentiebeding had specifieker toegesneden kunnen worden op de werkzaamheden die geïntimeerde feitelijk vervulde. Geïntimeerde vervulde alle lease-aanvragen behandelde, maakte de digitale prijslijsten van de afdeling verkoop en was betrokken bij de rapportages over verkoopkansen. Ook was hij de sleutelfiguur op de binnendienst en had hij toegang tot alle informatiekanalen en vertrouwelijke documenten. Met de omschrijving van deze werkzaamheden in het non-concurrentiebeding had appellante de noodzaak van het non-concurrentiebeding kunnen toespitsen.

 

Het hof concludeert dat er geen rechtsgeldig non-concurrentiebeding is overeengekomen en wijst de vorderingen van appellante af.

 

De IEPT-versie volgt.

 

ECLI:NL:GHSHE:2019:1692