Nader bewijs nodig om vast te kunnen stellen of sprake is van uitputting Philipp Plein kleding

Print this page 17-06-2019
IEPT20190515, Rb Den Haag, Philipp Plein

Gedaagde toegelaten tot bewijslevering van stelling dat beslagen kleding van Philipp Plein uitgeputte originele waar betreft: Philipp Plein heeft met rapport en proces-verbaal van deurwaarder onderbouwde stelling dat sprake is van originele waar onvoldoende onderbouwd weersproken, nader bewijs nodig om met redelijke mate van zekerheid vast te kunnen stellen of sprake is van uitputting. Aanwezigheid medewerkers Philipp Plein bij beslaglegging geen grond voor opheffen beslag: niet aannemelijk dat gedaagde hiervan nadeel heeft ondervonden.

 

MERKENRECHT - HANDHAVING

 

Stellende dat gedaagde inbreuk maakt op de Uniemerken door counterfeit producten te verkopen, vordert Philipp Plein dat de rechtbank gedaagde beveelt om inbreuk te staken en gestaakt te houden, gedaagde veroordeelt tot vergoeding van de door Philipp Plein geleden schade en tot afdracht van de door gedaagde genoten winst. Gedaagde stelt dat dat geen sprake is van counterfeit en dat de producten zijn uitgeput.

 

De rechtbank overweegt dat Philipp Plein de met een rapport en proces-verbaal van deurwaarder onderbouwde stelling dat sprake is van originele waar onvoldoende onderbouwd heeft weersproken. Philipp Plein heeft deze stelling slechts summierlijk, met een aantal eigen verklaringen, onderbouwd, zonder daarbij in details te treden. Ook de door Philipp Plein gestelde mindere kwaliteit van de producten is gemotiveerd betwist en niet nader onderbouwd. Bij die stand van zaken moet het er vooralsnog voor worden gehouden dat sprake is van originele Philipp Plein waar, zo oordeelt de rechtbank.

 

Of sprake is van uitputting kan naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet met redelijke mate van zekerheid worden vastgesteld. [Deurwaarder 2] heeft weliswaar de niet-geanonimiseerde facturen gezien en op basis daarvan geconcludeerd dat de producten zoals in het proces-verbaal omschreven overeenkomen met producten op de aankoopbonnen van gedaagde en op de orderbevestigingen van zijn leverancier, maar de echtheid van die stukken, die door Philipp Plein wordt betwist, heeft hij niet bevestigd en mogelijk ook niet kunnen bevestigen. Evenmin is een verklaring van een derde (zoals de gestelde leverancier) voor handen, die de echtheid bevestigt. Dit leidt ertoe dat nader bewijs nodig is. Gedaagde heeft uitdrukkelijk bewijs aangeboden van de uitputting, onder meer door het indienen van een nader rapport van een onafhankelijk accountant of deurwaarder, hetgeen door de rechtbank wordt toegelaten.

 

De reconventionele vordering van gedaagde tot opheffing van het beslag heeft gedaagde naast niet-inbreuk (waarvan de beoordeling afhangt van de uitkomst in conventie na bewijslevering), ook ten grondslag gelegd onrechtmatigheid wegens de aanwezigheid van twee Italiaanse medewerkers van Philipp Plein bij de beslaglegging. In art. 443 lid 2 Rv is bepaald dat de beslaglegger niet tegenwoordig mag zijn bij de inbeslagneming dan in geval de deurwaarder zulks ter aanwijzing van de in beslag te nemen zaken noodzakelijk acht. Partijen verschillen van mening over de vraag of de deurwaarder de aanwezigheid van medewerkers van Philipp Plein nodig achtte ter identificatie van de beslagen producten. Los daarvan overweegt de rechtbank dat niet-naleving van 443 lid 2  is aan te merken als een vormvoorschrift dat niet in acht is genomen, welk vormvoorschrift niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven (vgl. art. 705 lid 2 Rv). Dit ‘verzuim’, dat naar zijn aard niet hersteld kan worden, leidt niet zonder meer tot opheffing van het beslag, maar moet worden beoordeeld naar de omstandigheden van het geval, met afweging van de wederzijdse belangen. Nu gedaagde niet heeft gesteld dat hij door de aanwezigheid van de Italiaanse medewerkers onredelijk is benadeeld en ook anderszins niet is gebleken dat hij daarvan nadeel heeft ondervonden moet het belang van Philipp Plein tot handhaving van het beslag prevaleren, zo concludeert de rechtbank.

 

IEPT20190515, Rb Den Haag, Philipp Plein

 

ECLI:NL:RBDHA:2019:4895