Hoge Raad stelt prejudiciële vragen over mededeling aan het publiek (UPDATE)

Print this page 07-06-2019
IEPT20190607, HR, Brein v NSE

Hoge Raad stelt prejudiciële vragen in geschil tussen Brein en usenetprovider NSE nu gerede twijfel bestaat of NSE mededeling aan het publiek heeft verricht: enerzijds geldt dat het hof heeft geoordeeld dat de diensten van NSE een louter technisch, automatisch en passief karakter hebben waardoor niet is uit te sluiten dat NSE slechts faciliteiten ter beschikking heeft gesteld als bedoeld in punt 27 van de considerans van de Auteursrechtrichtlijn, anderzijds geldt dat door tussenkomst van NSE beschermde werken ter beschikking zijn gesteld aan het publiek zonder toestemming van de rechthebbenden nu NSE heeft gefaciliteerd dat deze werken met behulp van een door NSE aangeboden zoekfunctie en aan de hand van een overzicht van nieuwsgroepen en/of een uniek message-id eenvoudig konden worden gevonden en gedownload door de gebruikers van het platform.

 

AUTEURSRECHT

 

Update d.d. 7 juni 2019:

In het arrest van 5 april 2019 heeft de Hoge Raad partijen de gelegenheid gesteld zich uit te laten omtrent de prejudiciële vragen die de Hoge Raad in deze zaak aan het HvJEU voorlegt waarvan de beantwoording nodig is voor de beslissing op het cassatieberoep.
De door de advocaten gemaakte opmerkingen geven de Hoge Raad aanleiding tot het schrappen van twee passages, in respectievelijk 4.2.3 en 4.4.4., omtrent een zoekfunctie en een tweetal woorden in dezelfde overwegingen. In 4.4.3. is rekening gehouden met het feit dat de daar bedoelde richtlijn intussen is gepubliceerd. In 4.6 en vraag 3 is de woordvolgorde gewijzigd.

De vragen van uitleg van Unierecht waarvan de Hoge Raad beantwoording door het HvJEU nodig acht voor zijn beslissing op het cassatieberoep met de wijzigingen dikgedrukt:
1. Verricht een exploitant van een platform voor Usenetdiensten (zoals NSE is geweest), onder de omstandigheden zoals hiervoor in 3.1 en 4.2.3 beschreven, een mededeling aan het publiek in de zin van art. 3 lid 1 Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PbEG 2001, L 167/10; hierna: Auteursrechtrichtlijn)?
2. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt (en dus sprake is van een mededeling aan het publiek): Staat de vaststelling dat de exploitant van een platform voor Usenetdiensten een mededeling aan het publiek verricht in de zin van art. 3 lid 1 Auteursrechtrichtlijn in de weg aan toepassing van art. 14 lid 1 Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (PbEG 2000, L 178/1; hierna: Richtlijn inzake elektronische handel)?
3. Indien het antwoord op vraag 1 of 2 ontkennend luidt (en een beroep op de vrijstelling van art. 14 lid 1 Richtlijn inzake elektronische handel dus in beginsel mogelijk is): Speelt de exploitant van een platform voor Usenetdiensten, die diensten verleent zoals hiervoor in 3.1 en 4.2.3 omschreven, een actieve rol die anderszins in de weg staat aan een geslaagd beroep op art. 14 lid 1 Richtlijn inzake elektronische handel?
4. Kan aan de exploitant van een platform voor Usenetdiensten die een mededeling aan het publiek verricht en aan wie een geslaagd beroep toekomt op art. 14 lid 1 Richtlijn inzake elektronische handel, worden verboden om de inbreuk voort te zetten, dan wel kan hem een bevel worden opgelegd dat meer omvat dan hetgeen is vermeld in art. 14 lid 3 van de Richtlijn inzak elektronische handel, of levert dat strijd op met art. 15 lid 1 Richtlijn inzake elektronische handel?

 
(IEPT-versie volgt)

 

ECLI:NL:HR:2019:849

 

Boek9-bericht 5 april 2019