Voornemen tot het stellen van vragen van uitleg aan HvJEU over art. 13 lid 2 GMVo in Epal-zaak

Print this page 10-01-2020
IEPT20200110, HR, Epal v PHZ

(Met dank aan: Luuk Jonker en Robbert Sjoerdsma, Holla Advocaten en Thijs van Aerde, Houthoff)

 

Hoge Raad voornemens prejudiciële vragen te stellen over verzet op grond van een collectief merk en artikel 13(2) GMeV tegen de verdere verhandeling van door een niet-licentienemer gerepareerde merkproducten. Partijen mogen zich uitlaten over te stellen vragen.

 

MERKENRECHT

 

Zie voor het verloop van de procedure het vonnis van de rechtbank Den Haag van 31 augustus 2016 (IEPT20160831) en het arrest van het hof Den Haag van 3 juli 2018 (IEPT20180703). 

 

De Hoge Raad is voornemens het Hof van Jusitie van de EU te verzoeken over de volgende vragen van uitleg van artikel 13 lid 2 GMVo uitspraak te doen:

 

1.( a) Is voor een geslaagd beroep op art. 13 lid 2 GMVo vereist dat de verdere verhandeling van de desbetreffende merkproducten afbreuk doet of kan doen aan een of meer van de hiervoor in 3.2.4 bedoelde functies van het merk?

( b) Indien het antwoord op vraag 1(a) bevestigend luidt, is dan sprake van een eis die wordt gesteld naast die van de aanwezigheid van ‘gegronde redenen’?

( c) Is voor een geslaagd beroep op art. 13 lid 2 GMVo steeds voldoende dat afbreuk wordt gedaan aan een of meer van de in vraag 1(a) bedoelde functies van het merk?

 

2.( a) Kan in zijn algemeenheid worden gezegd dat een merkhouder zich op grond van art. 13 lid 2 GMVo kan verzetten tegen de verdere verhandeling van waren onder zijn merk, indien deze waren zijn gerepareerd door anderen dan de merkhouder dan wel personen die hij daarvoor toestemming heeft gegeven?

( b) Indien het antwoord op vraag 2(a) ontkennend luidt, is dan het bestaan van ‘gegronde redenen’ als bedoeld in art. 13 lid 2 GMVo na reparatie door een derde van door of met toestemming van de merkhouder in het verkeer gebrachte waren afhankelijk van de aard van de waren of de aard van de verrichte reparatie (zoals nader toegelicht hiervoor in 3.2.5), dan wel van andere omstandigheden?

3. Is verzet van de merkhouder als bedoeld in art. 13 lid 2 GMVo tegen verdere verhandeling van door derden gerepareerde waren uitgesloten indien van het merk gebruik wordt gemaakt op een wijze die niet de indruk kan wekken dat er een economische band bestaat tussen de merkhouder (of diens licentienemers) en de partij die de waren verder verhandelt, bijvoorbeeld indien door verwijdering van het merk en/of aanvullende etikettering van de waren, na de reparatie duidelijk is dat de reparatie niet is verricht door of met toestemming van de merkhouder of een licentienemer van deze?

4. Is voor de beantwoording van de voorgaande vragen van belang of het gaat om een collectief merk onder de GMVo en zo ja, in welk opzicht?

 

De Hoge Raad stelt partijen in de gelegenheid zich, binnen 4 weken, omtrent de hiervoor onder 5 geformuleerde vragen uit te laten.

 

IEPT20200110, HR, Epal v PHZ

 

ECLI:NL:HR:2020:26

 

Deze uitspraak wordt besproken in de volgende webinar:

Merkenrecht 2020 Deel 1