Verbodsvordering inbreuk merken in verstekvonnis afgewezen: eiseres geen toestemming merkhouder om in een procedure een verbodsvordering ten aanzien van de merken in te stellen (art. 25 lid 3 UMVo).
Eiseres vordert een bevel om iedere handeling waardoor gedaagde inbreuk maakt op de merken of handelingen die op welke wijze anderszins onrechtmatig jegens eiseres zijn in de zin van artikel 6:162 BW te staken en gestaakt te houden.
Eiseres heeft als distributeur exclusieve sub-licenties verkregen voor het gebruik van de Merken in Nederland en België. Eiserers heeft niet gesteld dat zij toestemming van de merkhouder heeft verkregen om in een procedure een verbodsvordering ten aanzien van de merken in te stellen volgens artikel 25 lid 3 UMVo. Ook heeft eiseres niet gesteld dat zij daartoe bevoegd is omdat de merkhouder, na daartoe te zijn aangespoord, niet binnen een redelijke termijn zelf een vordering wegens inbreuk heeft ingesteld.
De toestemming dan wel het stilzitten van de merkhouder blijkt ook niet uit de producties. In de als producties overgelegde overeenkomsten tussen de licentienemers en eiseres is in artikel 9.6 wel vermeld dat de licentienemer (Supplier) “shall agree to provide the Distributor with the power of Attorney to use and protect the trademark (…)”, maar dit behelst geen power of Attorney van de merkhouder. Eiseres heeft op dit artikel in de overeenkomst overigens ook geen beroep gedaan. Het voorgaande brengt mee dat eiseres tot het instellen van de verbodsvordering en daarmee samenhangende (neven)vorderingen niet gerechtigd wordt geacht. Deze zullen worden afgewezen.
Ook de verbodsvordering op grond van onrechtmatig handelen als bedoeld in artikel 6:162 BW wordt op dezelfde wijze afgewezen.
IEPT20200408, Rb Den Haag, Silk Cosmetics v White Sea International