Begrip 'betrokken uitvoerende kunstenaars' in de zin van artikel 8 lid 2 van richtlijn 2006/115 moet in de gehele Unie op eenvormige wijze worden uitgelegd

17-03-2021 Print this page
Auteur:
Anouck Bakhuis
IEPT20200908, HvJEU, RAAP v PPI

Het begrip ‘betrokken uitvoerende kunstenaars’ in de zin van artikel 8 lid 2 van richtlijn 2006/115 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom moet in de gehele Unie op eenvormige wijze worden uitgelegd en verzet zich ertegen dat een lidstaat bij de omzetting in zijn wetgeving uitvoerend kunstenaars van het recht op één billijke vergoeding uitsluit die onderdaan zijn van staten die niet tot de EER behoren, met als enige uitzondering kunstenaars die hun woon- of verblijfplaats in de EER hebben en die welke hun bijdrage aan het fonogram in de EER hebben geleverd: de in richtlijn 2006/115 opgenomen begrippen moeten worden uitgelegd op een wijze die strookt met de in de internationale verdragen vervatte overeenstemmende begrippen, de in artikel 8 lid 2 bedoelde verplichting om te zorgen voor een billijke verplichting die wordt verdeeld tussen de producent van het fonogram en de uitvoeren kunstenaar is van toepassing wanneer het gebruik van het fonogram of een reproductie daarvan plaatsvindt in de Unie, er wordt geen voorwaarde gesteld dat de uitvoerend kunstenaar of de producent van het fonogram de nationaliteit van een lidstaat van de EER dan wel zijn woon- of verblijfplaats in een dergelijke lidstaat heeft, noch dat de plaats waar het creatieve of artistieke werk is verricht tot het grondgebied van een lidstaat van de EER behoort, artikel 8 lid 2 moet zoveel mogelijk in overeenstemming met het WPPT worden uitgelegd en er is geen voorbehoud gemaakt op grond van artikel 15 lid 3 WPPT. Artikel 8 lid 2 van richtlijn 2006/115 verzet zich ertegen dat een lidstaat het recht op één enkele billijke vergoeding beperkt ten aanzien van uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen die onderdaan zijn van derde staten die krachtens artikel 15 lid 3 WPPT een voorbehoud hebben gemaakt met betrekking tot de erkenning van het recht op één enkele billijke vergoeding. Beperkingen kunnen wel door de Uniewetgever worden ingevoerd als zij voldoen aan de vereisten van artikel 52 lid 1 Handvest: noodzaak om een gelijk speelveld te bewaren voor deelname aan de handel in opgenomen muziek is een doelstelling van algemeen belang die een beperking van het in artikel 8 lid 2 van de richtlijn neergelegde naburige recht kan rechtvaardigen ten aanzien van de onderdanen van een derde staat die dit recht niet of slechts gedeeltelijk toekent. Artikel 8 lid 2 van de richtlijn verzet zich ertegen dat enkel de producent van het fonogram een vergoeding ontvangt zonder deze te moeten delen met de uitvoerend kunstenaar: vergoeding heeft als essentieel kenmerk dat zij wordt verdeeld en een dergelijke uitsluiting zou de doelstelling van de richtlijn ondermijnen.

 

NABURIGE RECHTEN

 

RAAP is een onderneming naar Iers recht en houdt zich bezig met het collectieve beheer van de rechten van uitvoerende kunstenaars. Verweerster, PPI, eveneens een onderneming naar Iers recht, houdt zich bezig met het collectieve beheer van de rechten van producenten van fonogrammen. RAAP en PPI hebben een overeenkomst gesloten waarbij is afgesproken dat PPI een gedeelte van de door haar ontvangen vergoedingen overmaakt aan RAAP om een verdeling van de vergoedingen tussen de producenten van fonogrammen en de uitvoerende kunstenaars de bewerkstelligen. RAAP en PPI zijn het niet eens over de draagwijdte van die overeenkomst voor wat betreft vergoedingen die aan PPI zijn betaald voor uitgezonden muziek die is uitgevoerd door een kunstenaar die geen onderdaan of inwoner van een lidstaat van de EER is. Volgens RAAP is de nationaliteit en de verblijfplaats van de kunstenaar niet relevant voor deze verdeling. Volgens PPI hebben uitvoerende kunstenaars die geen onderdaan of inwoner zijn van een lidstaat van de EER en wier uitvoeringen evenmin afkomstig zijn van een geluidsopname die in de EER is gemaakt, geen recht op een aandeel in de vergoedingen die verschuldigd zijn wanneer die uitvoeringen in Ierland worden uitgezonden. RAAP is van mening dat de bedragen die PPI haar betaalt ontoereikend zijn. De High Court (rechter in eerste aanleg in Ierland) heeft in dat kader prejudiciële vragen gesteld aan het Hof. Het Ierse recht sluit namelijk uit dat uitvoerende kunstenaars die hun woon-of verblijfplaats niet in de EER hebben, een aandeel ontvangen in de vergoedingen.

 

De volgende prejudiciële vragen liggen voor ter beantwoording: 

 

„1) Is de verplichting van een nationale rechter om richtlijn [2006/115] uit te leggen in het licht van het doel van het Verdrag van Rome en/of het WPPT beperkt tot begrippen waarnaar in die richtlijn uitdrukkelijk wordt verwezen of strekt zij zich, subsidiair, uit tot begrippen die alleen in die twee internationale overeenkomsten te vinden zijn? In hoeverre moet, in het bijzonder, artikel 8 van richtlijn 2006/115 worden uitgelegd in het licht van het vereiste van ‚nationale behandeling’ krachtens artikel 4 WPPT?
2) Heeft een lidstaat discretionaire bevoegdheid tot vaststelling van criteria om te bepalen welke uitvoerende kunstenaars als ‚betrokken uitvoerende kunstenaars’ in de zin van artikel 8 van richtlijn 2006/115 kunnen worden beschouwd? Kan, in het bijzonder, een lidstaat het recht op een aandeel in een billijke vergoeding beperken tot omstandigheden waarin ofwel i) de uitvoering plaatsvindt in een land van de [EER], ofwel ii) de uitvoerende kunstenaars wonen of verblijven in een land van de [EER]?
3) Welke beoordelingsmarge heeft een lidstaat bij zijn reactie op een voorbehoud dat door een andere verdragsluitende partij is gemaakt krachtens artikel 15, lid 3, WPPT? Geldt voor de lidstaat met name het vereiste om de voorwaarden van het door de andere verdragsluitende partij gemaakte voorbehoud nauwkeurig te weerspiegelen? Is een verdragsluitende partij verplicht om de dertigdagenregel van artikel 5 van het Verdrag van Rome buiten toepassing te laten wanneer die regel ertoe kan leiden dat wel een producent van de voorbehoud makende partij een vergoeding krachtens artikel 15, lid 1, ontvangt maar niet de kunstenaars die dezelfde opname uitvoeren? Is, subsidiair, de reagerende partij gerechtigd de onderdanen van de voorbehoud makende partij gunstiger rechten te verlenen dan de voorbehoud makende partij heeft gedaan, dat wil zeggen kan de reagerende partij rechten verlenen die niet op gelijke wijze door de voorbehoud makende partij worden verleend?
4) Is het onder alle omstandigheden toegestaan om het recht op een billijke vergoeding te beperken tot de producenten van een geluidsopname, dat wil zeggen om dit recht te ontzeggen aan de uitvoerende kunstenaars van wie de uitvoeringen in die geluidsopname zijn vastgelegd?”

 

Het Hof oordeelt als volgt. Het Hof heeft in haar rechtspraak benadrukt dat het niet aan de lidstaten is om de in de richtlijnen betreffende het auteursrecht en de naburige rechten vervatte begrippen te definiëren indien niet uitdrukkelijk naar het recht van de listaten wordt verwezen. De in artikel 8 lid 2 van richtlijn 2006/115 opgenomen term 'betrokken uitvoerende kunstenaars' moet dan ook in de gehele Unie op eenvormige wijze worden uitgelegd. De richtlijn beoogt te waarborgen dat auteurs en uitvoerende kunstenaars worden voorzien in geharmoniseerde rechtsbescherming waarmee de mogelijkheid om een passend inkomen veilig te stellen en hun investeringen terug te verdienen zodanig wordt gegarandeerd dat zij „niet in strijd komt met internationale verdragen waarop de wetten betreffende het auteursrecht en de naburige rechten van vele lidstaten zijn gebaseerd”. De in de richtlijn opgenomen begrippen moet dan ook worden uitgelegd op een manier die overeenstemt met de in die verdragen vervatte overeenstemmende begrippen. Een van die verdragen is het WPPT. De Unie en al haar lidstaten zijn bij dat verdrag partij. Artikel 8 lid 2 van de richtlijn laat elke lidstaat de mogelijkheid om bij gebreke van overeenstemming tussen de uitvoerende kunstenaars en de producenten van fonogrammen de wijze te bepalen waarop de vergoeding wordt verdeeld. Echter, de bepaling bevat een duidelijke en onvoorwaardelijke verplichting om het recht toe te kennen op een billijke vergoeding die tussen partijen moet worden verdeeld. De verplichting is van toepassing wanneer het gebruik van het fonogram of een reproductie daarvan plaatsvindt in de Unie. In richtlijn 2006/115 wordt daarentegen niet de voorwaarde gesteld dat de uitvoerend kunstenaar of de producent van het fonogram de nationaliteit van een lidstaat van de EER dan wel zijn woon- of verblijfplaats in een dergelijke lidstaat heeft, noch dat de plaats waar het creatieve of artistieke werk is verricht tot het grondgebied van een lidstaat van de EER behoort. Het tegendeel is het geval. Artikel 8 lid 2 moet zoveel mogelijk worden uitgelegd in overeenstemming met het WPPT. Partijen bij het WPPT dienen het recht op een billijke vergoeding zonder onderscheid aan haar eigen onderdanen en aan onderdanen van andere verdragsluitende partijen toe te kennen. Het recht op één billijke vergoeding kan door de nationale wetgever niet enkel aan de onderdanen van de lidstaten van de EER worden voorbehouden. Op grond van artikel 15 lid 3 WPPT kan iedere partij onder kennisgeving van een voorbehoud verklaren dat zij het recht op een billijke vergoeding niet of beperkt erkent. Echter is van een dergelijke kennisgeving geen sprake.

 

Het recht op één enkele billijke vergoeding is een naburig recht. Dit recht vormt een bestanddeel van het in het Handvest verankerde recht op de bescherming van intellectuele eigendom. Elke beperking op de uitoefening van dat naburige recht moet dan ook bij wet worden gesteld. Het enkele bestaan van een voorbehoud voldoet niet aan dat vereiste. Uitsluitend de Uniewetgever kan dit naburige recht dan ook beperken ten aanzien van de onderdanen van derde staten. In het huidige Unierecht is een dergelijke bepaling niet opgenomen. 

 

Het hof oordeelt ten slotte dat artikel 8 lid 2 van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat het recht op één enkele billijke vergoeding wordt beperkt in die zin dat enkel de producent van het fonogram een vergoeding ontvangt, zonder deze te moeten delen met de uitvoerend kunstenaar. Een dergelijke uitsluiting ondermijnt immers de doelstelling van de richtlijn. Hoewel een lidstaat wel de vrijheid heeft om te bepalen volgens welke voorwaarden de verdeling plaatsvindt, kan de verdeling zelf niet worden uitgesloten. 

 

IEPT20200908, HvJEU, RAAP v PPI

 

C-265/19 - ECLI:EU:C:2020:677