(Met dank aan Elise Menkhorst, Clarifort en Corine d’ Hulst, Ten Holter Noordam)
Vaststellingsovereenkomsten tussen A en C zijn rechtsgeldig van toepassing: C onvoldoende aantoonbare feiten en omstandigheden gesteld dat de vaststellingsovereenkomsten onder bedreiging tot stand zijn gekomen. Non-concurrentiebeding in vaststellingsovereenkomst is nietig (6 lid 2 Mw): geen feiten of omstandigheden gesteld voor het rechtvaardigen van een duur van 20 jaar en de geografische reikwijdte van geheel Europa. Bij de overgang van Sunshine zijn de IE-rechten niet meegegaan: Octrooirecht bestond niet (meer), Auteursrechten niet overgedragen aan C en merken pas na overdracht gedeponeerd. C heeft onrechtmatig gehandeld jegens A: in directe concurrentie getreden, zich daarbij bedienend van de met Sunshine opgebouwde en aan Sunshine overgedragen goodwill door gebruik van de naam Joris No Smell en de in het geding zijnde afbeeldingen. Depots merken niet te kwader trouw: ten tijde van het depot was A zelf niet te goeder trouw en had ook geen oudere rechten op de merken. A mag geen gebruik maken van de woorden en het merk Joris/Joris No Smell/Joris Bedding al dan niet voorzien van een logo: C heeft het Benelux woord- en beeldmerk Joris No Smell geregistreerd. Proceskosten gecompenseerd: procedure gekwalificeerd als een geschil over een nog niet deugdelijk verdeelde gemeenschap.
IE-GOEDERENRECHT - AUTEURSRECHT - MERKENRECHT
[C] heeft zich ingezet bij het ontwikkelen van bodembedekking voor (hokken van) knaagdieren. De producten werden onder andere onder de naam Joris No Smell op de markt gebracht. Daar hoort deze afbeelding bij:

[C] heeft Sunshine BVBA opgericht, deze BVBA is in februari 2018 overgegaan aan [A], die in 2017 Joris No Smell NV had opgericht. In maart 2018 is Sunshine failliet verklaard. Hiervan is [A] niet op de hoogte gesteld. [C] heeft zich in februari 2018 aangesloten bij Pet Bedding VOF, die het woord-en beeldmerk Joris No Smell gaan gebruiken en het voor de Benelux deponeren.
[A] vordert onder andere dat de rechtbank [C] een verbod oplegt op het gebruik van het woordmerk en beeldmerk Joris No Smell.
Anders dan in procedures IEPT20181108 en IEPT20190724 komt de bodemrechter nu tot het oordeel dat IE-rechten op de bodembedekking, de afbeelding en de naam niet behoren tot de vermogensbestanddelen van Sunshine BVBA en dus niet zijn overgegaan aan [A]. Het gevorderde verbod wordt afgewezen.
Met de overgang van Sunshine is bereikt dat de twee overige aandeelhouders de volledige zeggenschap over de onderneming hebben verkregen en dat [C] als bestuurder is afgetreden. [A] is van mening dat de IE-rechten als vermogensbestanddelen van Sunshine moeten worden beschouwd. Dit kan echter niet worden gevolgd. Het octrooirecht op de bodembedekking bestond ten tijde van de overgang niet (meer) en dat wist [A]. [C] heeft de auteursrechten op de afbeeldingen bij de overdracht niet kunnen overdragen, omdat de auteursrechten door de makers nooit aan [C] zijn overgedragen. Hij had een licentie om deze afbeeldingen te gebruiken, maar deze licentie is niet overgedragen aan Sunshine. De auteursrechten op de afbeeldingen zijn geen vermogensbestanddeel van Sushine. Dit heeft consequenties voor de voorlopige voorzieningen uit de eerder genoemde kortgedingvonnissen van 8 november 2018, 25 april 2019 (IEPT20190425) en 24 juli 2019 en de daarbij opgelegde dwangsommen.
[A] heeft verder gesteld dat [C] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, door het voortzetten van de handelsactiviteiten door [C] met de logo’s en de woorden Joris en/of No Smell of een combinatie daarvan en het wekken van de indruk dat Sunshine over de IE-rechten beschikte. Door na de overdracht van Sunshine, toch te gaan samenwerken met Pet Bedding is [C] in directe concurrentie getreden met [A]. Daarbij heeft hij zich ook bediend van de goodwill die met Sunshine en de namen en beeldmerken was opgebouwd en welke goodwill hij rechtsgeldig heeft overgedragen. Dit handelen wordt door de rechtbank gezien als in strijd met wat in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. Dat [A] hierdoor schade heeft geleden is aannemelijk.
Het depot van de merken door [C] was niet te kwader trouw, dus een beroep op de nietigheid van deze merken komt [A] niet toe. [A] is zelf niet te goeder trouw geweest en [A] had bovendien geen oudere rechten op de merken. Het door [A] gevorderde verbod op het gebruik van het merk/logo/afbeelding is niet toewijsbaar omdat de IE-rechten niet zijn overgedragen en A niet de auteursrechten heeft op de afbeeldingen.
In reconventie wordt het A verboden het woordmerk en het logo Joris No Smell te gebruiken.
IEPT20200930, Rb Amsterdam, Joris no smell v Pet bedding