Facebook bevolen tot afgifte identificerende gegevens van reeds inbreukmakende adverteerders

26-03-2021 Print this page
Auteur:
Nelisa de Bruin
IEPT20210317, Rb Den Haag, Tommy Hilfiger v Facebook

Niet bevoegd ten aanzien van Facebook Inc en Facebook Ireland: voor zover inbreuken op de Uniemerken en auteursrechten alsmede het onrechtmatig handelen zien op buiten Nederland, respectievelijk voor de inbreuken op de Benelux-merken buiten de Benelux. Geen auteursrechtinbreuk door Facebook: Facebook doet geen ”mededeling aan het publiek”. Geen merkgebruik door Facebook: adverteerders gebruiken de Hilfiger merken voor commerciële activiteiten. Geen wanprestatie bij uitvoering van mondelinge overeenkomst: aard van overeenkomst tussen PVH en Facebook ziet niet op het niet-adverteren van content van derden en verplichting gaat niet verder dan het beleid dat Facebook al voert. Het niet afgeven van identificerende gegevens na constatering van inbreuk is onrechtmatig: de mogelijkheid dat de informatie, op zichzelf beschouwd, jegens de derde onrechtmatig en schadelijk is, is voldoende aannemelijk; de derde heeft een reëel belang bij de verkrijging van de NAW-gegevens; aannemelijk is dat in het concrete geval geen minder ingrijpende mogelijkheid bestaat om de NAW-gegevens te achterhalen; afweging van de betrokken belangen van de derde, de serviceprovider en de persoon die onrechtmatig handelt brengt mee dat het belang van de derde behoort te prevaleren. Facebook Inc. en Facebook Ireland bevolen om de diensten als tussenpersoon bij het plaatsen van advertenties op haar platforms voor namaak Hilfiger-producten te staken en gestaakt te houden: het staat voldoende vast dat Facebook Inc. en Facebook Ireland bij de advertenties en promotie-accounts betrokken zijn en in staat om de op te leggen maatregelen uit te (doen) voeren. Facebook komt beroep op hosting vrijstelling toe: niet (onderbouwd) gesteld dat Facebook wetenschap van de inbreuk zou hebben en na melding van inbreuk verwijdert Facebook de vermeend inbreukmakende content.

 

PROCESRECHTAUTEURSRECHT - MERKENRECHTONRECHTMATIGE DAAD


Beroep tegen het vonnis in kort geding van 21 december 2018 (IEPT20181221) waarin – kort gezegd – is geoordeeld dat Facebook onrechtmatig handelt door het toestaan van advertenties voor namaak Tommy Hilfiger-producten en dat van Facebook geëist mag worden dat zij passende maatregelen treft om stelselmatige inbreuken op IE-rechten van derden tegen te gaan. 


De rechtbank verwerpt de stelling dat Facebook zelfstandig inbreuk op auteursrechten heeft gemaakt, aangezien Facebook de in de advertentie opgenomen inhoud niet meedeelt aan het publiek. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de opsteller van de advertentie, en niet Facebook, beslist dat de advertentie wordt getoond. De omstandigheid dat Facebook vooraf enige controle daarop uitoefent door foute advertenties zoveel mogelijk te filteren, maakt dat niet anders. Ook er is geen sprake van merkgebruik, en “ander gebruik”, door Facebook aangezien niet Facebook maar de adverteerders de Tommy Hilfiger merken gebruiken voor hun commerciële activiteiten.


Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat er geen wanprestatie is in de nakoming van de mondelinge afspraak tussen PVH en Facebook NL. Hierbij is van belang dat de aard van de overeenkomst weinig van doen heeft met het niet-adverteren van content van derden en niet kan worden aangenomen dat de verplichting om illegale advertenties te weren verder gaat dan hetgeen Facebook al doet. 


De rechtbank oordeelt verder dat Facebook een geslaagd beroep doet op uitsluiting van aansprakelijkheid op grond van artikel 14 REH/6:196c BW. De advertentiedienst van Facebook kwalificeert als een hosting provider. Ook is aan de materiële voorwaarden van dat artikel voldaan nu PVH niet onderbouwd heeft gesteld dat Facebook voordat zij door PVH erop is gewezen al wetenschap van de inbreuk zou hebben en Facebook na beoordeling van een melding van een inbreuk de vermeend inbreukmakende content verwijdert. De gevorderde schadevordering/winstafdracht wordt derhalve afgewezen.


Aan de hand van de criteria uit het Lycos-arrest (IEPT20151125) komt de rechtbank tot het oordeel dat Facebook onrechtmatig handelt jegens PVH door de identificerende gegevens niet af te geven. Facebook wordt bevolen om identificerende gegevens van reeds als inbreukmakend aangemerkte accounts af te geven, uitgezonderd de gegevens die betrekking hebben op degenen wier accounts gecompromitteerd zijn.
De rechtbank beveelt Facebook Inc. en Facebook Ireland om de diensten als tussenpersoon bij het plaatsen van advertenties op haar platforms voor namaak Hilfiger-producten te staken en gestaakt te houden.

 

IEPT20210317, Rb Den Haag, Tommy Hilfiger v Facebook


ECLI:NL:RBDHA:2021:2422